Het Vlaams Ruraal Netwerk en Eco² organiseren samen de tweede themadag van de reeks ‘Grasduinen in het gras’. Deze vindt plaats op dinsdag 25 juni van 10.00u tot 15.00u in de Raadzaal van het gemeentehuis van Beernem (2e verdieping), Bloemendalestraat 112, 9730 Beernem.
Themareeks ‘Grasduinen in het gras’
Tijdens de themareeks ‘Grasduinen in het gras’ gaat het Vlaams Ruraal Netwerk in 2013 op zoek naar de vele aspecten van gras.
Op 25 april vond de eerste themadag plaats, waar we dieper zijn ingegaan op de gebruiksdoelstellingen van gras voor landbouw enerzijds en de gebruiksdoelstellingen van gras voor natuur anderzijds.
Op 25 juni, tijdens de tweede themadag, komt (collectief) beheer van gras voor milieu- en natuurdoeleinden aan bod. In de voormiddag hebben we het over de verschillende soorten beheer, aangevuld met de specifieke situatie in Beernem. In 2012 werd in Beernem namelijk een agrobeheergroep opgericht door enkele landbouwers. De gemeente heeft met deze agrobeheergroep een overeenkomst afgesloten om tegen een vergoeding een aantal percelen in het Beverhoutsveld te beheren. Na de lunch willen we met verschillende terreinbezoeken tonen wat dit beheer betekent voor milieu en natuur.
In het najaar bekijken we tijdens de derde themadag de optimalisatie van grasbeheer met respect voor natuur en milieu (eventueel gekoppeld aan een veldbezoek). Meer informatie over deze derde themadag volgt later.
Programma
10.00u - 10.30u Ontvangst
10.30u - 12.00u Presentaties:
- Sven Defrijn en Mathias Dhooghe, agrobeheercentrum Eco²
- Filip Jonckheere, VLM
- Martine De Roo, Schepen van landbouw gemeente Beernem
12.00u - 13.00u Lunch
13.00u - 15.00u Terreinbezoeken met de bus o.l.v. Filip Jonckheere, VLM
Inschrijven
Inschrijven kan tot 18 juni via het online inschrijvingsformulier.
Opgelet: het aantal plaatsen is beperkt tot maximum 50 deelnemers
Contact
Alexander Spriet
Tel. 02 552 77 64
ruraalnetwerk@vlaanderen.be
www.ruraalnetwerk.be
Het Landbouwrapport, kortweg LARA, is aan zijn vierde editie toe. Zoals de vorige uitgaven, bevat het LARA opnieuw een schat aan informatie over de Vlaamse land- en tuinbouw, het beleid en de keten. De focus ligt ditmaal volledig op duurzaamheid. Het rapport brengt de duurzaamheid van de verschillende land- en tuinbouwsectoren in kaart op economisch, ecologisch en sociaal vlak en het schetst, rekening houdend met de context, de innovatie en de eerste aanzetten tot transitie. Visserij vormt het onderwerp van een afzonderlijk rapport dat begin 2013 verschijnt: het Visserijrapport (VIRA).
“Het Landbouwrapport 2012 geeft een mooi beeld van een sector in volle ontwikkeling naar duurzaamheid”, aldus minister-president Kris Peeters. “LARA bevat recente en objectieve cijfers die de basis vormen voor het land- en tuinbouwbeleid, en op basis waarvan elkeen die het wenst zich een exact beeld kan vormen over deze sector.”
Raadpleeg en bestel het Landbouwrapport 2012
Schaalvergroting en toenemende specialisatie
Uit het LARA 2012 blijkt dat Vlaanderen in 2011 25.982 landbouwbedrijven telde, waarvan 73% met beroepsmatig karakter. Het aantal landbouwbedrijven is ten opzichte van 2001 met een derde teruggelopen. Dat betekent een daling van 4% per jaar. Vooral de kleinere bedrijven stopten. In tien jaar tijd is de gemiddelde oppervlakte cultuurgrond met 46% gestegen tot 23,6 ha. De schaalvergroting laat zich ook voelen in de gemiddelde veebezetting per bedrijf. Een gemiddeld rundveebedrijf telde in 2011 111 dieren, een varkensbedrijf 1.700 en een pluimveebedrijf 42.606.
De land- en tuinbouw wordt daarnaast gekenmerkt door een sterke specialisatiegraad. Bijna negen op de tien bedrijven waren in 2011 gespecialiseerd in een van de drie subsectoren. 56% had als specialisatie veeteelt. Daarna volgen akkerbouw met 19% en tuinbouw met 13%.
Door een inkomensstijging met 47% herstelt de Vlaamse land- en tuinbouw zich van het rampjaar 2011
De land- en tuinbouw realiseerde in 2012 een eindproductiewaarde van 5,7 miljard euro. Daarvan was 60% afkomstig van de veeteelt. De vijf belangrijkste producten qua productiewaarde zijn varkensvlees met 1,6 miljard euro, rundvlees met 687 miljoen euro, groenten met 670 miljoen euro, zuivel met 631 miljoen euro en sierteelt met 531 miljoen euro. De productiewaarde steeg met 12% ten opzichte van 2011. De toename doet zich voor bij akkerbouw, veeteelt en tuinbouw. De kosten voor veevoeders, energie en meststoffen lagen in 2012 opnieuw hoger, waardoor het intermediaire verbruik een nieuw record vestigde met 4,2 miljard euro. De groei van de productiewaarde compenseerde in 2012 de kostenstijging. Daardoor nam de netto toegevoegde waarde per arbeidseenheid toe met 47% ten opzichte van het crisisjaar 2011. Het globaal inkomen herstelde en bereikt bijna opnieuw het niveau van 2010.
Sociaal-economisch relevante sector
In 2011 waren er 51.530 personen regelmatig tewerkgesteld in de Vlaamse land- en tuinbouw. Omgerekend naar voltijdse arbeidskrachten – dat betekent minstens 38 arbeidsuren per week of 20 arbeidsdagen per maand – en rekening houdend met de niet-regelmatig tewerkgestelden in de sector, waren dat 40.828 voltijdse arbeidskrachten.
België had in 2011 een handelsoverschot van 3,1 miljard euro in de handel in landbouwproducten. Zowel de invoer als de uitvoer steeg. Enkele belangrijke exportproducten zijn diepvriesgroenten, varkensvlees, aardappelen en aardappelbereidingen, fruit en chocoladeproducten. Ons land prijkt op de vierde plaats in het EU-klassement van agro-exporteurs, na Nederland, Frankrijk en Duitsland. Vlaanderen neemt 81% van de Belgische landbouwexport voor zijn rekening.
“Land- en tuinbouw zijn onderhevig aan economische wetmatigheden, en schaalvergroting en een toenemende specialisatie zijn daar het gevolg van. Het aantal bedrijven daalt als gevolg hiervan, maar de totale productiewaarde is gestegen. De land- en tuinbouw in Vlaanderen heeft zich met een inkomensstijging met 47% hersteld van het rampjaar 2011 en blijft een stevige economische sector in Vlaanderen”, analyseert minister-president Peeters de gegevens.
Milieudruk van landbouw vermindert
De eco-efficiëntie van de landbouw wordt gemeten door een aantal milieudrukindicatoren te plaatsen tegenover een economische indicator. Voor de meeste milieu-indicatoren was er een daling tussen 2001 en 2008, terwijl de eindproductiewaarde steeg. Drijvende krachten daarachter zijn het gevoerde mestbeleid en de conjunctuur, die een afname van de veestapel veroorzaakten. Ook schaalvergroting versterkte de dalende trend van emissies en brongebruik, net als rationeel energiegebruik en de omschakeling naar aardgas in de glastuinbouw. Vanaf 2009 was er opnieuw een lichte stijging van een aantal milieudrukindicatoren: verzurende emissies, broeikasgassen en fijn stof. Dat heeft onder meer te maken met de opnieuw groeiende veestapel.
Het directe energiegebruik van de landbouw bedroeg in 2010 28.800 terra joule. De glastuinbouw is met 56% veruit de grootste energiegebruiker en is dankzij het toenemende aantal warmtekrachtkoppelingsinstallaties (WKK’s) ook een belangrijke energieproducent geworden. Het aandeel van aardgas steeg van 21% in 2007 tot 45% in 2010, terwijl het aandeel petroleum (LPG, benzine en stookolie) in dezelfde periode daalde van 60% tot 42%. Het gebruik van biomassa, inclusief biogas en hout, neemt jaarlijks toe.
Gewasbeschermingsmiddelen dienen om de oogst veilig te stellen. De hoeveelheid die gebruikt wordt is de resultante van het teeltareaal, weersomstandigheden, wetgeving en technologie (producten en machines). In 2010 zakte het gebruik van gewasbescherming naar 2,6 miljoen kg actieve stof. Een betere indicator voor het meten van de milieudruk is de Seq-indicator, die een maat is voor de druk van gewasbeschermingsmiddelen op het waterleven. Die Seq-indicator daalde met 44% tussen 2005 en 2010.
“Het is verheugend vast te stellen dat land- en tuinbouw rasse schreden vooruitzet mbt het verduurzamen: de milieudruk van landbouw vermindert! Het stimuleringsbeleid van de Vlaamse Overheid waarbij via het VLIF bij investeringen het verbeteren van de rentabiliteit gekoppeld wordt aan milieumaatregelen, werpt zijn vruchten af en dient verder gezet”, stelt de minister-president.
Opnieuw betere toekomstverwachting
Twee keer per jaar berekenen we op basis van een enquête bij een 700-tal land- en tuinbouwbedrijven de landbouwconjunctuurindex. Uit de laatste enquêteronde in het najaar van 2012 blijkt dat de landbouw zich geleidelijk aan herstelt na het barslechte jaar 2011. De conjunctuurindex is na twee negatieve rondes opnieuw positief en bedraagt nu +1. De economische evolutie van de laatste zes maanden wordt als minder negatief ervaren dan in het voorjaar en klimt van -9 naar -4. De landbouwers blijven ontevreden over de situatie van het bedrijf, maar er is een lichte verbetering van -18 naar -13. De toekomstverwachtingen stijgen sterk en zijn uiterst positief te noemen: +14.
Uit een enquête bij de deelnemers van het Landbouwmonitoringsnetwerk (LMN) blijkt dat 64% van de ondervraagde land- en tuinbouwers tevreden tot zeer tevreden is. 25% is matig tevreden en 11% is ontevreden. Een relatief hogere tevredenheid constateerden we in de akkerbouwsector. In de varkenshouderij bleken de ondervraagden relatief minder tevreden. Een pijnpunt is stress, want 52% heeft hoge tot zeer hoge stress. De gemiddelde inkomenstevredenheid bedraagt ook maar 4,5 op tien.
Innovatie wint aan belang
Uit een enquête bij land- en tuinbedrijven blijkt dat 52% van de respondenten de voorbije vijf jaar een of meerdere innovaties doorvoerde. In de tuinbouw is dat zelfs 64%. Daarna volgt de intensieve veehouderij met 56%. In de rundveehouderij, akkerbouw en bij de gemengde bedrijven is het percentage innoverende bedrijven iets lager dan de helft. In vergelijking met 2007 is het percentage innoverende bedrijven in alle sectoren sterk gestegen.
Bedrijven innoveren in 2012 vooral in procesinnovaties: verbeteringen in het productieproces op het bedrijf. Daarna volgen vermarktingsinnovaties, organisatorische innovaties en productinnovaties. Concrete voorbeelden van innovatie zijn nieuwe of aangepaste stallen, automatisering, de installatie van WKK’s, investeringen in zonne-energie, de oprichting van een landbouwvennootschap, kwaliteitsverbeteringen en het starten met thuisverkoop of een webwinkel. De voorbeelden tonen aan dat het vooral gaat om vernieuwingen op het niveau van de bedrijven en minder voor de volledige sector.
"Boeren en tuinder geloven weer meer in een toekomst voor hun sector, en werken er ook volop aan. Ondernemerschap en innovatie zijn daarbij een belangrijke drijfveer. Meer dan de helft van de boeren voerde de voorbije jaren minstens één innoverende investering uit!" aldus minister-president Peeters. "Geloof in de toekomst èn in eigen kunnen zijn heel belangrijke troeven voor de toekomst!"
Duurzaamheid en transitie
Het LARA onderneemt op basis van de beschikbare gegevens een eerste duurzaamheidsmonitoring van de Vlaamse land- en tuinbouw. De gehanteerde indicatoren maken het mogelijk om cijfermatig tendensen en doelstellingen weer te geven, maar zijn nog niet geschikt om het gehele systeem en om duurzaamheid in alle mogelijke facetten te beschrijven. Ondanks de beperkingen is het belangrijk om de duurzaamheidsbril nu al op te zetten. Het concept duurzame ontwikkeling wordt pas concreet als de landbouwers er mee aan de slag gaan.
Het huidige landbouw- en voedselsysteem kan een indrukwekkend palmares voorleggen, maar de houdbaarheid op lange termijn komt onder toenemende druk te staan. Veranderingen naar meer duurzaamheid gaan niet altijd even snel, maar het streven naar meer duurzaamheid is ondertussen algemeen aanvaard. De transitie is al bezig en is zichtbaar in bestaande niches zoals stadslandbouw, biologische landbouw, anders eten en nieuwe productieparadigma’s. Ook in de traditionele landbouw is de dynamiek merkbaar in de zoektocht naar nieuwe en positieve manieren om in te spelen op economische, ecologische en maatschappelijke uitdagingen.
Contact
Jonathan Platteau
Tel. 02 552 78 47
Fax 02 552 78 71
jonathan.platteau@lv.vlaanderen.be