Visserij: Aanvullende quotamaatregelen en aanlandingsplicht demersale visserij 2021

In haar zitting van 3 december 2020 heeft de quotacommissie het visplan 2021 besproken en op basis daarvan meerdere adviezen geformuleerd voor aanvullende quotamaatregelen. Dit gebeurde op basis van het visplan van 2020 en de beschikbare wetenschappelijke adviezen.

Op de Europese Visserijraad van 15 en 16 december werd een akkoord bereikt waarmee de vissers zekerheid werd geboden over de visquota die zij in de eerste 3 maanden (25%) zullen kunnen gebruiken.

De vangstrechten die in het ministerieel besluit en in dit schrijven zijn opgenomen zijn dus eerder voorlopig van aard, in die zin dat nu al duidelijk is dat er in de eerste drie maanden van 2021 een nieuwe visserijraad zal plaatsvinden, eens er een akkoord is met het Verenigd Koninkrijk in het kader van de Brexit.

Volgende maatregelen zijn vanaf 1 januari 2021 en tot 31 maart 2021 van kracht:

1. Dagenbeperking

1.1 Vaartdagenregeling

Gedurende de periode 1 januari 2021 tot en met 31 december 2021 mag een vissersvaartuig op jaarbasis maximaal 285 vaartdagen verwezenlijken in alle gebieden samen. De overschreden dagen en de extra te korten dag per twee dagen overschrijding, worden in mindering gebracht op het maximaal aantal vaartdagen 2022.

1.2 Tongherstelgebied (ICES-gebied VIIe)

In de Europese verordening houdende de overgangsbepalingen voor het eerste trimester 2021 is  een hoofdstuk opgenomen betreffende het tongherstelgebied VIIe. In toepassing van bijlage II van EU-Raadsverordening over de Totale toegestane vangsten voor het eerste trimester 2021 wordt de bestaande boomkorvisserijinspanning in het westelijk deel van het Engels Kanaal verder beperkt gedurende de periode 1 januari 2021 tot en met 31 maart 2021.

Vaartuigen uitgerust met de boomkor met een maaswijdte van ten minste 80 mm, mogen in dat gebied tijdens de periode van 1 januari tot 31 maart 2021 maximaal 44 zeedagen presteren.

De boomkorvaartuigen die in de referentieperiode 2002 – 2018 gevist hebben in het westelijk deel van het Engels Kanaal, krijgen een vismachtiging VIIe. Visserij met de boomkor is in het ICES-gebied VIIe vanaf 1 februari 2021 tot en met 31 januari 2022 enkel toegestaan mits het vissersvaartuig over een vismachtiging herstelgebied tong VIIe beschikt. Deze vismachtiging moet aan boord gehouden worden. Rederijen van vissersvaartuigen, die aan de voorwaarden voldoen, worden spontaan per afzonderlijke zending een vismachtiging herstelgebied tong toegestuurd.

Overdracht van dagen op vaartuigniveau is verboden.

Niet naleving van deze communautaire dagenregeling kan tevens leiden tot intrekking van de visvergunning voor vijf opeenvolgende dagen. Tevens wordt de toekenning van de vismachtiging VIIe voor 2022 beperkt tot 6 maanden.

2. Gesloten gebieden, visverboden en technische maatregelen

2.1 Verbod pulsvisserij in de 12-mijlszone

Alle vormen van puls zijn verboden in de Belgische 12-mijls zone

2.2 Skagerrak

Vermits alle Belgische quota in het Skagerrak wellicht in de loop van 2021 geruild zullen worden met Denemarken, blijft het Skagerrak gesloten in 2021 voor de Belgische vissersvaartuigen.

2.3 West van Schotland (VIa)

De visserij is het gehele jaar 2020 verboden in ICES-gebied VIa.

2.4 Keltische Zee VIIh,j,k

Gedurende het volledige jaar 2021 is de visserij verboden in ICES-gebied VIIh,j,k voor vaartuigen van het klein vlootsegment (KVS). Van 1 januari tot en met 31 maart 2021 geldt dit verbod ook voor vaartuigen behorende tot het GVS.

2.5 Golf van Gascogne

De aanwezigheid van een vissersvaartuig in de Golf van Gascogne is verboden in 2021. In een latere fase op het jaar zal er mogelijks nog een specifieke regeling voor worden uitgewerkt.

2.6 Spanvisserij

De spanvisserij op kabeljauw is in 2021 verboden.

2.7 Sluiting Bristol kanaal

Gedurende het volledige jaar 2021 is de visserij verboden in ICES-gebied VIIf,g voor vaartuigen van het KVS.

In de periode 1 februari 2021 tot en met 31 oktober 2021 is het enkel aan de vaartuigen van het klein vlootsegment, die beschikken over een “Vismachtiging Bristolkanaal 2021”, toegestaan in het gebied VIIf,g aanwezig te zijn.

Ten einde opgenomen te worden op de lijst dienen geïnteresseerde reders zich voor 21 januari 2021 aan te melden bij de bevoegde dienst van het Departement Landbouw en Visserij via e-mail gericht aan zeevisserij@lv.vlaanderen.be.

Uw aandacht wordt gevestigd op het feit dat naar analogie met vorige jaren de visserij buiten de zes-mijlszone in de ICES-rechthoeken 30E4, 31E4 en 32E3 (zgn. Trevose box) in de periode 1 februari 2021 tot en met 31 maart 2021 verboden wordt.

2.8 Europese sluiting Ierse zee 2021

De bestaande bepalingen (nu opgenomen als bijlage VI, deel C, punt 3 van Verordening 2019/1241 van het Europees Parlement en de Raad van 20 juni 2019)  voor het herstel van het kabeljauwbestand in de Ierse zee (ICES-sector VIIa) zijn van toepassing.

Het is elk jaar tijdens de periode van 14 februari tot en met 30 april verboden bodemtrawls, zegens of soortgelijke sleepnetten, kieuwnetten, schakelnetten, warrelnetten of vistuig met haken te gebruiken in het gedeelte van ICES sector VIIa dat wordt begrensd door de oostkust van Ierland en de oostkust van Noord-Ierland en rechte lijnen die achtereenvolgens de volgende geografische coördinaten, die worden gemeten volgens het WGS84-coördinatenstelsel, met elkaar verbinden:

  • tussen 54°30' NB op de oostkust van Noord-Ier,
  • tussen 54°30' NB 04°50' WL,   
  • tussen 53°15'  NB 04°50' WL, en
  • tussen 53°15' NB op de oostkust van Ierland.

In afwijking hiervan is in het gebied en de periode die in vorig lid zijn bepaald, het gebruik van bodemtrawls toegestaan, op voorwaarde dat die trawls zijn voorzien van selectiviteitsvoorzieningen die werden beoordeeld door het WTECV (Wetenschappelijk, Technisch en Economisch Comité voor de Visserij, adviseert de Europese Commissie over visserijbeheer).

2.9 Beschermde vissoorten

Volgende soorten worden niet aan boord gehouden en dienen, liefst levend, terug over boord gezet te worden: Sterrog VIId, vleet-soortencomplex (IV,VII en VIII), ruwe haai (IV, VII, VIII), haringhaai, walvishaai, doornhaai (IV, VII, VIII), schubzwelghaai (IV), Portugese ijshaai (IV), zwarte haai (IV), spitssnuitsnavelhaai (IV), grote lantaarnhaai (IV).

2.10 Roggen

Het is verboden om andere roggensoorten te vissen, aan boord te houden en aan te landen blonde rog (RJH), stekelrog (RJC) en gevlekte rog (RJM). 

Andere roggensoorten die worden gevangen, worden ongedeerd gelaten en onmiddellijk teruggezet. De vissers worden daarbij aangemoedigd technieken en apparatuur te gebruiken voor een snelle en behouden terugzetting, conform de Europese regelgeving.

2.11 Verbod op highgrading

Een soort, waarvoor een quotaregeling geldt en die gevangen wordt tijdens visserijactiviteiten, wordt aan boord van het vaartuig gebracht en vervolgens aangeland, tenzij dit indruist tegen de communautaire visserijwetgeving, waarbij technische, controle- en instandhoudingsmaatregelen zijn vastgesteld. Deze verplichting geldt in alle gebieden.

2.12 Verplicht gebruik van de zeeflap

Vaartuigen uitgerust met TR3 (bordenvisserij op garnaal) dienen gans het jaar uitgerust te zijn met een zeeflap

2.13 Staand tuig op zeebaars

Het gericht vissen op zeebaars met staand tuig met maaswijdte kleiner dan 120 mm is verboden gedurende het gehele jaar 2021.

2.14 Staand tuig op rog

Het gericht vissen op rog met staand tuig is verboden gedurende het gehele jaar 2021.

2.15 Vissen op paling

Het vissen, het aan boord houden en het aanlanden van paling met een lengte groter dan 12 cm is verboden in de maanden januari, november en december 2021.

2.16 Technische maatregelen in alle ICES-gebieden

De technische maatregel die het gebruik van een paneel voor de tunnel verplicht stelde voor BT1 en BT2 tuigen in bepaalde gebieden (het zgn. Vlaams paneel), blijft behouden teneinde te kunnen genieten van een de-minimis voor tong.

Bovendien moeten de vistuigen BT2 (boomkor 80-119 mm) van het GVS uitgerust zijn met een flip-up rope (steenschotje) of een bentisch paneel om te kunnen genieten van de uitzondering voor hoge overleving voor schol. De vaartuigen uit het KVS moeten slepen doen van maximaal 90 minuten.

Vanaf 1 januari 2019 is het verboden boomkortuigen onder zich te hebben en te gebruiken waarvan de laatste 3 meter van de staart, vóór de kuil, niet bestaat uit netmateriaal met minimale maaswijdte van 120mm, gemeten tussen de knopen. Bovendien moet de korre uitgerust zijn met een flip-up rope of een bentisch paneel met vierkante mazen met een maaswijdte van 170 mm en een lengte en breedte van 1,8 meter.

2.17 Technische maatregelen kabeljauw en wijting in de Keltische Zee

Deze technische maatregelen gelden voor vaartuigen met sleepnetten in VIIf, VIIg en een deel van VIIh (ten noorden van 49° 30’, en een deel van VIIj (noorden van 49°30’ NB en oosten van 11° WL).

Vaartuigen met sleepnetten of seines die meer dan 20% schelvis in hun vangst hebben, mogen niet in deze gebieden vissen tenzij die gebruik maken van volgende opties:

  • 110 mm kuil met 120 mm vierkante mazenpaneel
  • 100 mm T90 kuil
  • 120 mm kuil
  • 100 mm met 160 mm vierkante mazenpaneel

In aanvulling mogen vaartuigen met sleepnetten die ten minste 20% schelvis in hun vangst hebben, gebruik gemaakt maken van volgende opties:

  • Vistuig met ten minste 1 meter ruimte tussen vislijn en bodemtuig of;
  • Gelijk welk tuig dat ten minste even selectief is om kabeljauw te vermijden, in overeenstemming met een STECF assessment en goedgekeurd door de EC.
  • 120 mm kuil

Vaartuigen met sleepnetten  en seinevissers in VIIf tot VIIk en in het gebied ten westen van 5°WL wiens vangstsamenstellingen minder dan 20% schelvis bevatten, moeten ten minste een maaswijdte van 100 mm kuil gebruiken.

Deze vereiste is niet nodig voor vaartuigen met bijvangsten aan kabeljauw van minder dan 1,5%, beoordeeld door WTECV, onder voorwaarde dat er toenemende aanwezigheid van waarnemers op zee gebeurt voor ten minste 20% van de zeereizen vanaf 1 juli 2021.

2.18 Samenstelling quotacommissie

De dienst Visserij is van mening dat de Quotacommissie zou moeten worden aangevuld met actieve vissers/reders die vissen in de ‘Oost’ omwille van een meer evenwichtige samenstelling. Daarom vraagt de dienst Visserij twee extra leden toe te voegen die actief vissen in dit gebied. Kandidaten kunnen zich melden bij de voorzitter van de quotacommissie.

3. Schol

3.1 Vangstbeperking voor schol in de Noordzee

  • Het totale scholquotum in de Noordzee voor de groep van vissersvaartuigen van het KVS is voor het eerste kwartaal 2021 vastgesteld op 166 ton productgewicht, zonder rekening te houden met mogelijke overdrachten.
  • Het totale scholquotum in de Noordzee voor de groep van vaartuigen van het GVS is voor het eerste kwartaal 2021 vastgesteld op 1216 ton productgewicht.
  • Van 1 januari 2021 tot en met 31 maart 2021 is het in de ICES-gebieden II, IV, zijnde Noordzee en Schelde-estuarium, voor een vissersvaartuig van het KVS verboden bij de scholvangst een hoeveelheid te overschrijden die gelijk is aan 60 kg per kW, vermenigvuldigd met het motorvermogen van het vissersvaartuig, uitgedrukt in kW.
  • Van 1 januari 2021 tot en met 31 maart 2021 is het in de ICES-gebieden II, IV, zijnde Noordzee en Schelde-estuarium, voor een vissersvaartuig van het GVS verboden bij de scholvangst een hoeveelheid te overschrijden die gelijk is aan 60 kg per kW, vermenigvuldigd met het motorvermogen van het vissersvaartuig, uitgedrukt in kW.
  • Ingeval in de periode van 1 januari 2021 tot 31 maart 2021 gedurende een visreis, de vangsten zowel in de ICES-gebieden II, IV als VIId,e worden verwezenlijkt, worden de gevangen hoeveelheden schol in de Noordzee aan een beperking per zeereis onderworpen in functie van het aantal vaartdagen in de Noordzee en wel als volgt:
    • 800 kg per vaartdag voor vaartuigen van het KVS
    • 1600 kg per vaartdag voor vaartuigen van het GVS

3.2 Vangstbeperkingen 2020 voor schol in andere gebieden

De scholvangst van vissersvaartuigen wordt, voor de periode van 1 januari 2021 tot 31 maart 2021 in de andere gebieden, behoudens uitzonderingen, per zeereis beperkt tot een aantal kg, uitgedrukt als productgewicht, vermenigvuldigd met het aantal vaartdagen van die reis in de betrokken gebieden en wel als volgt:

  • voor vissersvaartuigen van het KVS:
    • maximaal 1.200 kg per vaartdag in VIId,e van 1 januari 2021 tot en met 15 februari 2021;
    • maximaal 800 kg per vaartdag in VIId,e van 16 februari 2021 tot en met 31 maart 2021;
    • maximaal 200 kg per vaartdag in VIIfg
       
  • voor vissersvaartuigen van het GVS:
    • maximaal 2.400 kg per vaartdag in VIId,e van 1 januari 2021 tot en met 15 februari 2021;
    • maximaal 1.600 kg per vaartdag in VIId,e van 16 februari 2021 tot en met 31 maart 2021;
    • maximaal 400 kg per vaartdag in VIIf,g;

4. Tong

4.1 Vangstbeperkingen voor tong in de Noordzee

  • Het totale tongquotum zonder ruilen in de Noordzee voor de groep van vissersvaartuigen van het KVS is voor de maanden januari 2021-maart 2021 vastgesteld op 104 ton productgewicht, zonder rekening te houden met mogelijke overdrachten.
  • Het totale tongquotum in de Noordzee voor de groep van vaartuigen van het GVS is voor de eerste drie maanden van 2020 vastgesteld op 243 ton productgewicht.
  • Aan de vissersvaartuigen van het KVS wordt in de Noordzee en Schelde-estuarium tot eind maart 2021 een hoeveelheid tong toegekend, die gelijk is aan 1.650 kg vermeerderd met 25 kg per kW, uitgedrukt in productgewicht.
  • Aan de vissersvaartuigen van het GVS wordt in de Noordzee en het Schelde-estuarium tot eind maart 2021 een hoeveelheid tong toegekend, die gelijk is aan 2.250 kg vermeerderd met 10 kg per kW, uitgedrukt in productgewicht.
  • In afwijking van vorig lid wordt aan de vissersvaartuigen die uitsluitend de passieve visserij bedrijven voor de periode 1 januari 2021 tot 31 maart 2021 een hoeveelheid tong in de Noordzee per vaartuig toegekend, die gelijk is aan 1.950 kg vermeerderd met 12 kg per kW, uitgedrukt in productgewicht.
  • Ingeval gedurende een visreis, de vangsten zowel in de ICES-gebieden II, IV als VIId worden verwezenlijkt, worden de gevangen hoeveelheden tong in de Noordzee aan een beperking per zeereis onderworpen in functie van het aantal vaartdagen in de Noordzee en wel als volgt:
    • 350 kg per vaartdag voor vaartuigen van het KVS,
    • 700 kg per vaartdag voor vaartuigen van het GVS.

Er worden geen gecombineerde visreizen toegestaan tussen ICES-gebieden II, IV en VIIf, g en tussen ICES-gebieden II, IV en VIIa.

4.2 Tong VIIf,g

  • Het totale tongquotum in de ICES-gebieden VIIf,g voor de groep van vissersvaartuigen van het KVS is voor het eerste trimester 2021 vastgesteld op 17 ton productgewicht. Voor jaar 2021 wordt 68 ton toegekend aan het KVS.
  • Aan de vissersvaartuigen van het KVS wordt in de ICES-gebieden VIIf,g  voor de periode van 1 februari 2021 tot en met 31 oktober 2021 de mogelijkheid geboden om in te schrijven op een lijst van vaartuigen met een vismachtiging Bristolkanaal. Teneinde ingeschreven te worden, dient de reder voor 21 januari 2021 een verzoek bij de dienst in te dienen per mail aan zeevisserij@lv.vlaanderen.be. Meer gedetailleerde informatie zal worden meegedeeld zodra er meer duidelijkheid komt over definitief toe te wijzen hoeveelheden. De inschrijvingsprocedure wordt mogelijks verlengd indien er op dat ogenblik nog geen duidelijkheid is.
  • Aan de vissersvaartuigen van het GVS wordt in de ICES-gebieden VIIf,g voor de periode van 1 januari 2021 tot en met 30 juni 2021 een hoeveelheid tong toegekend, die gelijk is aan 1.000 kg verhoogd met 6 kg per kW, uitgedrukt in productgewicht.

Om de rendabiliteit te garanderen wordt hier bij wijze van uitzondering geopteerd voor een periode van 6 maanden.

De administratieve strafmaatregelen bij overschrijding van toegewezen quota zijn van toepassing, te weten korting van de overschreden hoeveelheid vermenigvuldigd met een strafcoëfficiënt 1,2 in de overeenkomstige periode in 2022 en mogelijke intrekking van de visvergunning voor een periode van tenminste vijf achtereenvolgende dagen.

4.3 Tong VIIh,j,k

De tongvangst in de gebieden VIIh,j,k is verboden van 1 januari 2021 tot en met 31 maat 2021.

4.4 Tong VIId

Gezien de toewijzing in functie van het motorvermogen, die bij wijze van proef in 2016 was ingesteld en uiteindelijk niet door de sector werd aangevraagd, wordt deze mogelijkheid niet voorzien.

  • Het totale tongquotum in de ICES-gebieden VIId voor de groep van vissersvaartuigen van het KVS is voor de eerste 3 maanden van het jaar 2021 vastgesteld op 70 ton productgewicht.
  • Het totale tongquotum in de ICES-gebieden VIId voor de groep van vissersvaartuigen van het GVS is voor de eerste 3 maanden van het jaar 2021 vastgesteld op 179 ton productgewicht.
  • De tongvangst van vissersvaartuigen wordt voor het eerste kwartaal  van 2021 in het ICES- gebied VIId per zeereis beperkt tot een aantal kg, uitgedrukt als productgewicht, vermenigvuldigd met het aantal vaartdagen van die reis in het betrokken gebied en wel als volgt:
    • Voor vissersvaartuigen van het KVS:
      • maximaal 350 kg per vaartdag in VIId
    • Voor vissersvaartuigen van het GVS:
      • maximaal 700 kg per vaartdag in VIId
  • Bij afwijking van het vorig lid, worden in het geval dat gedurende een zeereis, de vangsten zowel in de ICES-gebieden VII f,g als VIId worden verwezenlijkt, worden de gevangen hoeveelheden tong in de VII d aan een beperking per zeereis onderworpen in functie van het aantal vaartdagen in ICES-gebied VIId en wel als volgt:
    • Voor vissersvaartuigen van het KVS:
      • maximaal 175 kg per vaartdag in VIId
    • Voor vissersvaartuigen van het GVS:
      • maximaal 350 kg per vaartdag in VIId

4.5 Vangstbeperkingen eerste kwartaal 2021 voor tong in andere gebieden

De tongvangst van vissersvaartuigen wordt in de andere gebieden beperkt als volgt (hoeveelheden uitgedrukt in productgewicht):

  • Gebied VIIe: de totale vangst voor de periode van 1 januari 2021 tot en met 31 maart 2021 is maximaal 600 kg tong per vaartuig, voor vaartuigen van het KVS. Dit plafond wordt opgetrokken naar 1.200 kg tong per vaartuig, voor vaartuigen van het GVS.

Bij afwijking van vorig lid, worden in het geval dat gedurende een zeereis, de vangsten zowel in de ICES-gebieden VII f,g als VIIe worden verwezenlijkt, worden de gevangen hoeveelheden tong in de VII e aan een beperking onderworpen van 300 kg per zeereis.

5. Kabeljauw

5.1 Vangstbeperkingen voor kabeljauw in de Noordzee

Voor de toewijzing van vangstmogelijkheden van kabeljauw in de Noordzee wordt standaard gewerkt met “zeereisplafonds”. Er kan geen toewijzing meer worden aangevraagd in functie van het motorvermogen.

  • Het totale kabeljauwquotum voor het eerste kwartaal 2021 in de Noordzee voor de groep van vissersvaartuigen van het KVS is vastgesteld op een productgewicht van 16 t.
  • Het totale kabeljauwquotum in de Noordzee voor de groep van vissersvaartuigen van het GVS is voor de periode januari-maart 2021 vastgesteld op een productgewicht van 93 ton.
  • De kabeljauwvangst in de periode van 01.01.2021 tot en met 31.03.2021 van vaartuigen die volgens de officiële lijst zijn uitgerust met de boomkor wordt in de Noordzee per zeereis beperkt tot een aantal kg, uitgedrukt als productgewicht, vermenigvuldigd met het aantal vaartdagen van die zeereis in dat gebied en wel als volgt:
    • 50 kg voor vaartuigen van het KVS;
    • 100 kg voor vaartuigen van het GVS.

De hierboven vermelde hoeveelheden worden vanaf 1 januari 2021 bijkomend met 300 kg per vaartdag verhoogd, als het vaartuig in kwestie gedurende de gehele visreis gebruik maakt van netmaaswijdtes van groter dan 100 mm in de bordenvisserij (TR 1) of groter dan 120 mm in de boomkorvisserij (BT 1). Vanaf 1 februari 2021 vallen deze vaartuigen terug op 100 kg per vaartdag.

5.2 Kabeljauw VIIb-c, VIIe-k, VIII

  • Vanaf 1 januari 2021 tot en met 31 maart 2021 wordt in de ICES-gebieden VIIb-c, VIIe-k, VIII een maximale hoeveelheid kabeljauw toegekend voor een vissersvaartuig van het KVS van 50 kg.
  • In de periode van 1 januari 2021 tot en met 31 maart 2021 is het in de ICES-gebieden VIIb-c, VIIe-k, VIII voor een vissersvaartuig van het GVS verboden een totale kabeljauwvangst te realiseren die groter is dan 100 kg.

5.3 Kabeljauw VIId

Van 1 januari 2021 tot en met 31 maart 2021 is het in het ICES-gebied VIId voor een vissersvaartuig verboden bij de kabeljauwvangst een hoeveelheid te overschrijden die gelijk is aan 1 kg, vermenigvuldigd met het motorvermogen van het vissersvaartuig, uitgedrukt in kW.

5.4 Kabeljauw VIIa

Voor de periode 1 januari 2021 tot 31 maart 2021 wordt de kabeljauwvangst van vissersvaartuigen in het ICES-gebied VIIa per zeereis beperkt tot een aantal kg, uitgedrukt als productgewicht, vermenigvuldigd met het aantal vaartdagen van die zeereis in het betrokken gebied en wel als volgt:

  • 50 kg voor vaartuigen van het KVS;
  • 50 kg voor vaartuigen van het GVS.

6. Schelvis

In de periode van 1 januari 2021 tot en met 31 maart 2021 is het in de ICES-gebieden VII, VIII voor een vissersvaartuig verboden bij de schelvisvangst een hoeveelheid te overschrijden die gelijk is aan 100 kg, vermenigvuldigd met het aantal vaartdagen, gerealiseerd tijdens die zeereis in die ICES-gebieden. Voor een vissersvaartuig van het KVS is de hoeveelheid 50 kg, vermenigvuldigd met het aantal vaartdagen.

7. Rog

De rogvangst van vissersvaartuigen wordt in de ICES-gebieden II, IV , VIId  en VIIa-c, e-k per zeereis beperkt tot een aantal kg, uitgedrukt als productgewicht, vermenigvuldigd met het aantal vaartdagen van die zeereis in de betrokken gebieden en wel als volgt voor de periode 1 januari-31maart 2021:

  • Voor vissersvaartuigen van het KVS:
    • maximaal 120 kg per vaartdag in II, IV;
    • maximaal  75 kg per vaartdag in VIId;
    • maximaal 350 kg per vaartdag in VIIa-c, e-k
  • Voor vissersvaartuigen van het GVS:
    • maximaal  240 kg per vaartdag in II, IV;
    • maximaal  150 kg per vaartdag in VIId;
    • maximaal  700 kg per vaartdag in VIIa-c, e-k.

De hoeveelheden toegekend in de Noordzee worden verdubbeld voor de vaartuigen die uitsluitend uitgerust zijn met de planken.

N.B. - In de Noordzee is de bijvangstregel bij rogvangst zoals die in 2011 ingevoerd was, behouden: de rogvangsten voor vaartuigen met een L.O.A. groter dan 15m mogen per visreis niet meer bedragen dan 25% van de totale aan boord gehouden vangsten in levend gewicht.

8. Wijting

8.1 Vangstbeperking voor wijting in Noordzee en Keltische zee

De wijtingvangst van vissersvaartuigen wordt in de ICES-gebieden II, IV en VIIb-k per zeereis beperkt tot een aantal kg, uitgedrukt als productgewicht, vermenigvuldigd met het aantal vaartdagen van die zeereis in de betrokken gebieden en wel als volgt voor de periode januari-maart 2021:

  • Voor vissersvaartuigen van het KVS:
    • maximaal 250 kg per vaartdag in II, IV;
    • maximaal 50 kg per vaartdag in VIIb-k;
  • Voor vissersvaartuigen van het GVS:
    • maximaal 500 kg per vaartdag in II, IV;
    • maximaal 100 kg per vaartdag in VIIb-k;
  • de hoeveelheden voor de Noordzee worden verdubbeld voor de vaartuigen die uitsluitend uitgerust zijn met de planken of met de zegen.
  • de hoeveelheden voor het gebied VIIb-k worden vastgesteld op 100 kg per vaartdag voor de vaartuigen van het KVS en 200 kg per vaartdag voor de vaartuigen van het GVS, die uitsluitend uitgerust zijn met de planken, behalve de zegen.
  • de hoeveelheden voor het gebied VIIb-k worden vastgesteld op 400 kg per vaartdag voor de vaartuigen van het groot vlootsegment, die uitsluitend uitgerust zijn met de zegen.
  • Het segmentsquotum voor borden en zegenvaartuigen wordt in gebied VIIb-k vastgelegd op maximaal  40% van het beschikbaar quotum. Bij uitputting van dat segmentsquotum, is het voor die vissersvaartuigen verboden nog wijting aan te voeren uit de ICES-gebieden VIIb-k.

8.2 Vangstbeperking voor wijting in Ierse zee

De wijtingsvangsten van vissersvaartuigen wordt in het ICES-gebied VIIa (Ierse zee) voor vaartuigen van het GVS per vaartuig beperkt tot en hoeveelheid van 100 kg voor de periode van 1 januari 2021 tot 31 maart 2021.  

9. Heek

De heekvangst van vissersvaartuigen wordt van 1 januari 2021 tot en met 31 maart 2021 in alle gebieden beperkt tot een bijvangstregeling. De totale heekvangst door een vissersvaartuig mag per zeereis maximaal een hoeveelheid bedragen, gelijk aan 200 kg, uitgedrukt als productgewicht, vermenigvuldigd met het aantal vaartdagen gerealiseerd tijdens die zeereis.

10. Bot en schar

In de loop van 2017 werden die soorten als quotumsoorten geschrapt. Afzonderlijke rapportering blijft evenwel van toepassing.

11. Tongschar en witje

De totale vangsten van tongschar en witje van een vissersvaartuig worden per zeereis in de Noordzee beperkt tot een hoeveelheid die gelijk is aan een aantal kg, uitgedrukt als productgewicht, vermenigvuldigd met het aantal vaartdagen van die zeereis in de Noordzee en Schelde-estuarium en wel als volgt voor de periode 1 januari-31 maart 2021:

  • 300 kg voor vaartuigen van het KVS;
  • 600 kg voor vaartuigen van het GVS.

N.B. de soorten tongschar en witje dienen afzonderlijk gerapporteerd te worden.

12. Tarbot en griet

De totale vangsten van tarbot en griet van een vissersvaartuig worden het gehele jaar per zeereis in de Noordzee beperkt tot een hoeveelheid die gelijk is aan een aantal kg, uitgedrukt als productgewicht, vermenigvuldigd met het aantal vaartdagen van die zeereis in de Noordzee en Schelde-estuarium en wel als volgt voor de periode 1 januari-31maart 2021:

  • 200 kg voor vaartuigen van het KVS;
  • 400 kg voor vaartuigen van het GVS.

N.B. de soorten tarbot en griet dienen afzonderlijk gerapporteerd te worden. Voor tarbot geldt een hoge overlevingsuitzondering 2021-2023.

13. Makreel

De makreelvangsten worden het gehele jaar beperkt tot een bijvangstregeling.

De totale makreelvangst per zeereis van een vissersvaartuig mag gedurende de periode 1 januari-31 maart 2021 maximaal een hoeveelheid bedragen, gelijk aan 50 kg, uitgedrukt als productgewicht, vermenigvuldigd met het aantal vaartdagen van die zeereis in de Noordzee en Schelde-estuarium.

Het totale makreelquotum in de Noordzee voor de groep van vissersvaartuigen die uitsluitend uitgerust zijn met de zegen en die per zeereis minder dan 10 kg Noordzeetong aanlanden is vastgesteld op 60 ton productgewicht. Zolang dit quotum niet is opgebruikt geldt de beperking in de eerste paragraaf niet..

14. Haring

De haringvangsten worden het gehele jaar beperkt tot een bijvangstregeling. De totale haringvangst van een vissersvaartuig mag per zeereis in de periode 1 januari-31 maart 2021 maximaal een hoeveelheid bedragen gelijk aan 800 kg, uitgedrukt als productgewicht, vermenigvuldigd met het aantal vaartdagen van die zeereis in de gebieden IV, VIId.

15. Zwarte koolvis

De totale vangsten van zwarte koolvis van een vissersvaartuig worden, zodra 60% van het quotum is opgebruikt, per zeereis in de Noordzee beperkt tot een hoeveelheid die gelijk is aan een aantal kg, uitgedrukt als productgewicht, vermenigvuldigd met het aantal vaartdagen van die zeereis in de Noordzee en Schelde-estuarium en wel als volgt voor de periode 1 januari-31 maart 2021:

  • 40 kg voor vaartuigen van het KVS;
  • 80 kg voor vaartuigen van het GVS.

Deze hoeveelheden worden verdubbeld voor de vaartdagen waarop het vaartuig het vistuig TR1 gebruikt heeft.

16. Leng (Noorse zone)

De totale vangsten van de leng van een vissersvaartuig worden, zodra 60% van het quotum is opgebruikt, per zeereis in de Noorse zone beperkt tot 30 kg, uitgedrukt als productgewicht, vermenigvuldigd met het aantal vaartdagen van die zeereis in de Noorse zone tijdens de periode 1 januari-31 maart 2021.

17. Zeeduivel (Noorse zone)

De totale vangsten van zeeduivel van een vissersvaartuig worden per zeereis in de Noordzee beperkt tot een hoeveelheid die gelijk is aan een aantal kg, uitgedrukt als productgewicht, vermenigvuldigd met het aantal vaartdagen van die zeereis in de Noordzee  en wel als volgt voor de periode 1 januari-31 maart 2021:

  • 200 kg voor vaartuigen van het GVS

18. Minimum instandhoudingsreferentiematen

Nationaal zijn volgende minimum instandhoudingsreferentiematen van toepassing:

  • tong 25 cm
  • tarbot 32 cm
  • griet 32 cm
  • tongschar 25 cm
  • bot 25 cm
  • schar 23 cm
  • poon 20 cm
  • rog 50 cm
  • steenbolk 20 cm
  • zeebaars 42 cm
  • zeeduivel (geheel) 500 g
  • zeeduivel (gekopt) 200 g

Het vissen, het aan boord houden en de aanvoer in communautaire havens van deze soorten beneden de respectievelijke minimummaten is voor soorten gevangen door visserijen die niet onder de aanlandingsplicht vallen verboden.

Voor soorten die onder de aanlandplicht vallen, moeten de vangsten kleiner dan de MCRS aan boord gehouden, gedeclareerd, aangeland en voor niet-rechtstreekse menselijke consumptie voorbehouden worden. Bovendien worden deze vangsten van het quotum afgetrokken. Uitzonderingen voor hoge overleving of de-minimis zijn voor bepaalde soorten voorzien en moeten afzonderlijk gerapporteerd in de dagvangsten.

Zie verder onder punt 24 voor verdere uitleg over de aanlandplicht.

De vis moet in een staat worden aangeboden die controle van de minimummaat mogelijk maakt.

De minimummaat van tong, gevangen door vissersvaartuigen met een motorvermogen van 221 kW of minder en een bruto tonnenmaat van niet meer dan 70 GT, tijdens visreizen die uitsluitend in de Noordzee plaatsvinden, wordt bepaald op 24 cm.

19. Nationale conversiefactoren

Voor de soorten en presentatievormen, waarvoor geen communautaire conversiefactor geldt ter berekening van het equivalent levend gewicht, worden volgende conversiefactoren aangenomen:

  • Gegutte platvis: factor 1,05
  • Gegutte rondvis: factor 1,18
  • Gekopte visserijproducten: factor 3,00
  • Krabbenpoten: factor 4,00

20. Inruil van vaartdagen

Het principe van het inruilen van vaartdagen bij overschrijding van dagplafonds, zoals dit in 2006 in de regelgeving werd ingevoerd, wordt gehandhaafd en uitgebreid naar alle soorten.

Ingeval van overschrijding van de vangstmogelijkheden per zeereis kan de reder of zijn vertegenwoordiger kiezen voor korting in vaartdagen. In dat geval vervalt de administratieve of correctionele vervolging. Bij toepassing van het regime van inruil van dagen wordt het maximum aantal vaartdagen 2021 (285) vervangen door het hoogste cijfer van de effectief verwezenlijkte aantal vaartdagen in 2018 of 2019 of 2020, voor zover dat maximum kleiner is dan 285 dagen. Indien tijdens die jaren inruildagen werden toegekend, worden die beschouwd als effectief gevaren dagen.

Ingeval voor een bepaalde zeereis de reder of zijn vertegenwoordiger kiest voor het inruilen van dagen, moet hij vóór het einde van die zeereis per fax of e-mail het aantal inruildagen melden aan de Dienst Visserij. Deze aanvraag is onherroepelijk.

Voor ieder visbestand wordt het overschreden vangstvolume gedeeld door de toegekende hoeveelheden per vaartdag, wat resulteert in een aantal surplusdagen. Deze surplusdagen worden gekort op de effectieve vaartdagen.

Het aantal inruildagen wordt beperkt tot 3, tenzij het om een aantoonbare overmachtssituatie gaat. In dit laatste geval neemt de bevoegde entiteit een ad hoc-beslissing.

De dienst wijst erop dat het gedurende het hele jaar 2021 niet mogelijk is om vaartdagen te ruilen in ICES gebied VIId en voor kabeljauw in de Noordzee.

21. Diverse controlemaatregelen

In het kader van de aanname van de controleverordening zijn een aantal belangrijke bepalingen opgenomen. Deze werden reeds vroeger meegedeeld en zijn gekend. Een aantal aandachtspunten worden evenwel herhaald.

  • De ramingstolerantie is veralgemeend naar 10%;
  • Soorten onder herstelplan (COD, SOL, PLE, HKE) dienen afzonderlijk gestockeerd te worden in het ruim;
  • Er dient een opslagschema van het ruim voorhanden te zijn;
  • In het kader van de traceerbaarheid van visserijproducten dienen alle kisten (bennen) duidelijk voorzien van een de volgende identificatiegegevens (art. 58.5 van Reg (EU) 1224/2009):
    • Identificatienummer van elke partij
    • Extern registratienummer van het vaartuig
    • FAO – drielettercode van de vissoort
    • Datum van de vangsten
    • De hoeveelheden van iedere soort in kilogram nettogewicht
  • Bij aanlanding in een haven (binnen- en buitenland) dienen de autoriteiten minstens vier uur op voorhand verwittigd te worden van intenties, met opgave van de vangst. (Dit gebeurt automatisch met het e-logboek);
  • Vangsten dienen bij aanlanding, en voor transport, gewogen te zijn worden. Lidstaten die een controleschema uitgewerkt hebben, kunnen hierop uitzondering verlenen. Er werden daartoe bilaterale akkoorden gesloten met Ierland, Frankrijk. Controleweging bij aanlanding blijft evenwel altijd mogelijk.
  • Oostende en Zeebrugge zijn aangewezen havens in het kader van de herstel- en meerjarenplannen.
  • Bij aanlanding in het buitenland dient een vervoersdocument conform art. 68 van Reg. (EU) 1224/2009 de container te vergezellen. Niettegenstaande dit een verantwoordelijkheid betreft voor de transporteur, wordt dit vanuit praktisch oogpunt het best door de schipper zelf ingevuld voordat de vangsten geladen worden voor transport. De documenten dienen op de afslag afgegeven en de overmaking naar de dienst wordt door deze laatste verzorgd. Blanco formulieren zijn op eenvoudig verzoek bij de dienst beschikbaar.

De handhaving van de handelsnormen zal in de komende maanden blijvend opgevolgd worden. Teneinde inconsistenties tussen enerzijds nationale minimum aanvoerlengte (25 cm) en minimumgewicht (120 gr) van tong te vermijden, wordt uw aandacht gevraagd voor de strikte naleving van de 25 cm grens aan boord bij het uitsorteren van de vangst

Reders die wensen in te stappen in het kustvisserssegment kunnen daartoe vóór 1 maart 2019 een aanvraag richten tot de Dienst. Eventuele begunstigden zullen daartoe door de Dienst Visserij worden aangeschreven.

Gezien de overeenkomsten een looptijd hebben van 5 jaar, moeten de reders van vaartuigen die vanaf 2014 deel uitmaken van het kustvisserssegment hun aanvraag hernieuwen willen ze voor de volgende 5 jaar tot het segment behoren

De overtredingen van de verschillende quotamaatregelen kunnen leiden tot het intrekken van de visvergunning voor een opeenvolgende periode van minstens vijf dagen.

Per kalenderdag mogen uit meerdere ICES-gebieden quotasoorten worden aangevoerd, voor zover in deze gebieden nog een overeenkomstig quotum beschikbaar is en voor zover voor elk van deze soorten aan de hoogste vangstbeperkingen voor deze kalenderdag voldaan is.

De hoeveelheden quotasoorten die aan een vissersvaartuig worden toegewezen, zijn niet overdraagbaar naar een ander vissersvaartuig.

Aan de vissersvaartuigen van de Scheldevloot die enkel binnengaats mogen vissen, worden geen hoeveelheden quotasoorten in de Noordzee en Schelde-estuarium toegekend.

Andere vissersvaartuigen dan de vissersvaartuigen van de Scheldevloot, mogen niet vissen op de Westerschelde binnengaats.

Iedere reder dient zelf de stand van de vangsten van tong, schol en kabeljauw van zijn vaartuig bij te houden. De Dienst Visserij zal in 2020 geen tussenstanden meedelen.

Iedere reder dient zelf de vaartdagen van zijn schip bij te houden.

22. E-Logboek

Vanaf 1 januari 2020 gelden enkel de berichten zoals overgemaakt via het elektronisch logboek. Er worden geen papieren logboeken meer in omloop gebracht en er zal door de administratie  geen rekening meer worden gehouden met ingediende papieren logboeken.

In het bijzonder moeten visuren in het e-logboek worden geregistreerd en dient de aanlandingsverklaring binnen de 24uur na aanlanding (= tijdstip van afronden van alle sorteer-en weegactiviteiten van betrokken vangst in de afslag) ingediend worden.

De specifieke omzendbrief rond het elektronisch logboek die u eind 2019 werd overgemaakt blijft onverminderd geldig en is raadpleegbaar via de Afspraken rond elektronisch logboek.

Bij de uitvoer naar derde landen moeten de controle-ambtenaren van de dienst Visserij de ontvangen vangstcertificaten voor uitvoer valideren. Om deze validering uit te voeren, vraagt de bevoegde autoriteit, het Departement Landbouw en Visserij, om bij het vangstcertificaat de details van het elektronisch logboek bij te voegen die betrekking hebben op de vangsten die uitgevoerd zullen worden. Voor meer informatie verwijs ik naar onze website.

23. Zeebaars

Er  werden Europese herstelmaatregelen voor de zeebaars uitgewerkt, die vergelijkbaar zijn met deze die in vorige jaren van toepassing was.

Er wordt met een algemeen vangstverbod gewerkt, in ICES gebieden IVb en IVc en VII.

In januari 2021 is het voor vaartuigen met gesleept tuig en oor de zegenvisserij in de ICES-gebieden IVb, IVc, VIId, VIIe, VIIf en VIIh toegestaan, dat de hoeveelheid aan boord gehouden zeebaars niet meer dan 5% van de totale aan boord gehouden vangst van mariene organismen in levend gewicht per visreis bedraagt, binnen de limiet van maximaal 520 kg per twee maand.

Visserij op zeebaars met staand tuig is enkel toegestaan voor vaartuigen met een historische referentie voor zeebaars gedurende de periode 1 juli 2015 tot 30 september 2016 en is beperkt tot maximaal 350kg/vaartuig.

Visserij op zeebaars met lijnen en haken is enkel toegestaan voor vaartuigen met een historische referentie voor zeebaars gedurende de periode 1 juli 2015 tot 30 september 2016 en is beperkt tot maximaal 1.430 kg vaartuig.

24. Hengelaars

Van 1 januari 2021 tot 28 februari 2021 is het aan zeehengelaars, die vissen vanuit vaartuigen die niet beschikken over een visvergunning verboden om in totaal meer dan maximaal 15 kg kabeljauw, per ingescheepte persoon en per zeereis aan boord te houden, over te laden en te lossen. De vis dient in gehele staat te worden aangevoerd en mag ontdaan zijn van ingewanden.

Europees werd voor de recreatieve visserij (inclusief de kantvisserij) op zeebaars bepaald dat er in de periode 1 januari tot 28 februari 2021 enkel catch en release mag plaatsvinden. Van 1 maart tot en met 31 maart 2021 mogen recreatieve vissers twee exemplaren van zeebaars per persoon en per dag bijhouden. De MCRS bedraagt 42 cm.

25. Aanlandingsplicht demersale visserijen

Zoals gekend werd de aanlandingsplicht in de demersale visserij in 2019 verplicht gesteld voor alle soorten met vangstbeperkingen.

De aanlandingsplicht van een bepaalde soort gevangen door een bepaalde visserij betekent in principe dat de vangsten van die soort door betrokken vaartuig uitgerust met dit bepaald tuig in dit gebied niet mogen teruggegooid worden. Dus ook de ondermaatse exemplaren moeten aan boord blijven en van het quotum afgetrokken worden. Ingeval het quotum in het gebied is benut, wordt voor de rest van het jaar de gehele visserij in het gehele gebied voor de vaartuigen die onder de LO vallen, gesloten. Dit is de zgn. chokespecies of knelsoortenproblematiek waarover u in de gespecialiseerde pers vermoedelijk al iets van opgevangen heeft.

Verder zou het nationaal hanteren van dagplafonds ook kunnen botsen met het principe van de LO. Het afschaffen van de plafonds is evenwel geen optie omdat het vrij vissen zou kunnen leiden tot vervroegde uitputting van de quota en daaruit voortvloeiende verplichte sluiting van de visserijen (zie hierboven).

Daarom worden de dagplafonds voor de volgende bijvangstsoorten: schelvis (pt. 6), wijting (pt. 8), heek (pt. 9), makreel (pt. 13), haring (pt. 14), zwarte koolvis (pt. 15), leng (pt. 16) gedefinieerd als maximum toegekende valoriseerbare hoeveelheden, waarvan de overschrijding aanleiding heeft tot beslagname ten voordele van de Rederscentrale. Controle gebeurt door de P.O. op basis van een afgesloten protocol tussen overheid en P.O. met een maatregel vergelijkbaar met deze die voor de rog grootteklasse 4 werd uitgewerkt.

Zodoende heeft de individuele schipper geen economisch profijt bij het overschrijden van de aanbevolen hoeveelheid, gezien een mogelijke overschrijding afgeroomd wordt. De overschreden hoeveelheden worden evenwel van het nationaal quotum afgetrokken en we roepen de schippers in deze op, hun verantwoordelijkheid te nemen en verstandig om te gaan met de beperkingen.

Voor een groot aantal soorten/gebieden/vistuigen gelden uitzonderingen op de L.O., zoals die zijn uitzondering voor hoge overleving en uitzondering met een de-minimis. Het teruggooien in het kader van die specifieke maatregelen mag in principe, maar moet wel in het logboek gerapporteerd worden. De dienst dringt erop aan dit zo nauwkeurig mogelijk te doen.

De reglementering voorziet een aantal uitzonderingen bij dewelke ondermaatse exemplaren wel mogen/moeten teruggezet worden:

  • Exemplaren van kwetsbare/gevoelige of verboden soorten (haaien, roggen, enz.) moeten teruggezet worden;
  • Geschonden vis (parasieten/predatoren) moet overboord gezet worden;
  • Ondermaatse exemplaren van soorten die niet onder de LO vallen, moeten verder overboord gezet worden;
  • Soorten waarvoor een de-minimis (zie verder) geldt, mogen overboord gezet worden binnen de daartoe voorziene de-minimismarge;
  • Soorten waarvan een hoge overleving bewezen is, mogen overboord gezet worden.

25.1 Hoge overleving

Hoge overleving werd tijdelijk bekomen voor schol gevangen met BT2 tuig (boomkor met maaswijdte 80-119 mm) in alle gebieden, voor roggen en Noorse kreeft in alle gebieden. Ook voor de tarbot met TBB en kuil>80mm in de Noordzee, geldt voor 2021 het principe van hoge overlevingsuitzondering.  

Voor de schol, roggen en tarbot dienen lidstaten bijkomende wetenschappelijke gegevens aan te voeren. ILVO ontving de opdracht dit verder uit te werken.

Het toepassen van het principe van hoge overleving impliceert dat exemplaren van die soorten zo snel als mogelijk en ongedeerd worden teruggezet.

Het bekomen van de uitzondering voor schol was slechts mogelijk op voorwaarde dat de lidstaten zich engageerden bijkomende technische maatregelen op te leggen of een monitoringsprogramma met camera’s uit te werken.

Vlaanderen heeft gekozen voor de technische aanpak: BT2 korren moeten uitgerust zijn met een flip-up rope (steenschotje) of een bentisch paneel (zie onder 2.16).

“Legale” discards moeten met de code DIS in de dagvangsten worden opgenomen.

Opgelet: voor schol gevangen met BT1 tuig, geldt deze uitzondering niet en dient de volledige vangst (maatse en ondermaatse vis) aangeland te worden en in de aanlandingsverklaring als LSC en BMS vangst opgegeven. In afwachting van aangepaste logboekcodes worden de maatse en ondermaatse vangsten als één globaal cijfer gerapporteerd in de vangstraming.

25.2 De-minimis (DM)

In bepaalde gevallen kan een uitzondering op het teruggooiverbod bekomen worden, waarbij  tot maximum 7% van de vangst van de soorten, die onder de aanlandingsplicht vallen, mag teruggegooid worden. Deze uitzondering wordt nationaal per visbestand en per jaar bekeken. Teneinde een hogere DM voor tong te bepleiten in de regionale groepen (Scheveningen groep voor de Noordzeeregio, de Noord Westelijke wateren groep voor de ICES-gebieden VII en de Zuid Westelijke wateren groep voor het gebied VIIIab) is België akkoord gegaan met het verplicht toepassen van meer selectief vistuig, het zgn. Vlaams paneel die onder punt 2.16 werd toegelicht. Zodoende kon voor tong gevangen met de boomkor in de Noordzee een DM van 5%, in de gebieden VII een DM van 3% en in de gebieden VIIIab een DM van 5% bekomen worden.

Teneinde dit te kunnen monitoren heeft de minister beslist nationaal DM-quota vast te stellen of zal deze nog vast gesteld worden eens de Europese TAC en quotaverordening voor januari-maart 2021 is gepubliceerd. Onderstaande hoeveelheden zijn dus nog onderhevig aan mogelijke wijzigingen:

  • Tong II, IV: 18 ton
  • Tong VIId: 6 ton
  • Tong VIIe: 0,5 ton
  • Tong VIIfg:  8 ton
  • Schol alle gebieden: 0 ton
  • Schelvis VIIe-k: 6 ton
  • Wijting II, IV: 6 ton; (2% tong en scholquotum)
  • Wijting VIIb-k: 1 ton
  • Makreel II, IV: 17 ton
  • Makreel VII, VIII: 0 ton
  • Horsmakreel II, IV, VIId: 1 ton
  • Horsmakreel VII: 0 ton

Deze DM-quota zullen door de dienst en de Quotacommissie opgevolgd worden maar zullen wellicht snel worden aangepast in functie van de uiteindelijke quota 2021. Ingeval het DM-quotum januari-maart 2021 volledig benut is, wordt de toepassing van DM verboden en moeten ook de ondermaatse vangsten aan boord blijven en van het vangstquotum afgetrokken worden. De ondermaatse exemplaren van die soorten kunnen nooit voor directe menselijke consumptie verhandeld worden.

Aan de schippers van vaartuigen, die visserijen bedrijven, die onder de LO vallen wordt gevraagd de teruggegooide hoeveelheden zorgvuldig in het logboek te rapporteren. Deze hoeveelheden komen niet in mindering van het vangstquotum zolang er een DM-quotum beschikbaar is. De ervaring in de afgelopen drie jaar, heeft geleerd dat de gedane rapportering wellicht een onderschatting is van de effectieve hoeveelheden. Dit moet een blijvend aandachtspunt zijn.

Op elk ogenblik van de visreis mag de  teruggooi in het kader van DM nooit hoger zijn dan een vastgestelde drempelwaarde in % van de totale reeds verwezenlijkte vangst van die soort in het bepaalde gebied.

Volgende Vlaamse drempelwaarden zijn van toepassing:

  • Tong II, IV: 10%
  • Tong VIId: 5%
  • Tong VIIe: 5%
  • Tong VIIfg: 5%
  • Tong VIIhjk: 5%
  • Kabeljauw IVc (TR2): 4%
  • Kabeljauw VIIe-k: 10%
  • Schelvis VIIe-k: 10%
  • Wijting II, IV: 20% (BT2) en 10% (TR2)
  • Wijting VII b-k: 10%                                     

Vanaf het ogenblik dat die drempelwaarde wordt bereikt moet de schipper zijn visserijactiviteiten stoppen en het vaartuig minstens 10 nautische mijl verleggen, voor de vaartuigen met een bruto tonnenmaat van minder dan 70 BT wordt het verleggen van de activiteit met minstens drie mijl voldoende geacht.

Zolang het de-minimisquotum niet is opgebruikt is het inroepen van een de-minimis, behalve voor tong, niet verplicht. Een schipper kan er al of niet van gebruik maken en moet de code DIS of BMS (bij het aan boord houden van ondermaatse vis) gebruiken.

Voor tong, een relatief dure soort, waarvoor ondermaatse exemplaren op de zwarte markt mogelijks een zekere waarde kunnen krijgen, moet verplicht een de-minimis gebruikt worden. Met andere woorden de vissers krijgen de L.O. niet als excuus om ondermaatse exemplaren van deze soort aan te landen. We herhalen hierbij dat de minimummaat voor tong 25 cm bedraagt.

Voor garnaalvisserij met TBB geldt eveneens een de-minimis van 7% voor alle demersale soorten ten opzichte van de totale vangst.

25.3 Gebruik logboekcodes en praktische instructies

De verschillende categorieën vis, die legaal mogen teruggegooid worden, moeten afzonderlijk gerapporteerd worden in het logboek. Daartoe werden een aantal technische discussies binnen de EU aangevat maar spijtig genoeg zijn nog niet alle codes reeds eenduidig vastgelegd.

Voor de soorten die onder LO vallen moet in het gedeelte dagvangsten (FAR) de maatse en ondermaatse fractie gerapporteerd worden met de code LSC (legal size catch) voor de maatse fractie en BMS (below minimum size) voor de ondermaatse fractie. Details moeten in de aanlandingsverklaring weergegeven worden met de presentatievorm (gegut, heel enz.)

Ook moet de code DIS gebruikt worden voor de discards van soorten die niet onder LO vallen zodra die het equivalent van 50 kg levend gewicht bereiken. Dezelfde code moet voorlopig gebruikt worden voor de- minimis en voor alle andere vormen van legale teruggooi (geschonden vis bv.). Opgelet: voor soorten die onder de LO vallen moeten alle vangsten (vanaf de eerste kg geregistreerd worden).

DIM dient gebruikt te worden voor de de-minimis die vanaf de eerste kg equivalent levend gewicht gerapporteerd moet worden.

De ervaring in de vorige jaren heeft gewezen dat er nog veel schippers zijn die de hoeveelheden discards/de- minimis/LSC/BMS niet of vermoedelijk onjuist wegens te gering, rapporteren. Nochtans is een correcte rapportering verplicht - bij controle op zee en aan land kunt u hierbij in de problemen komen – en draagt die bij tot een correcte wetenschappelijke assessment van de bestanden.