Aanlandingsverplichting

De laatste hervorming van het Regionaal Gemeenschappelijk Visserijbeleid (GVB) in 2014 voerde een aantal belangrijke wijzigingen in de aanpak van de visserijen in. Eén daarvan was de zogenaamde aanlandingsverplichting (landing obligation – L.O.). Voor de invoering van de aanlandingsverplichting moesten vissers ondermaatse vis terugzetten in zee. Nu zijn ze verplicht de vangsten van quotasoorten effectief aan te landen, ongeacht of het maatse of ondermaatse vis is. Het doel is vissers selectiever te laten vissen  omdat:

  • de ondermaatse vangsten nu ook aangevoerd moeten worden
  • maar niet gecommercialiseerd mogen worden voor rechtstreekse menselijke consumptie,
  • en van het quotum worden afgetrokken.

In de demersale visserijen, die vooral de soorten dichtbij of op de bodem bevissen, wordt de aanlandingsverplichting gradueel ingevoerd vanaf 2016. Vanaf 2019 moet ze voor alle quotumsoorten van toepassing zijn.

De regelgeving geeft echter uitzonderingen op deze aanlandingsverplichting. Ze is niet van toepassing voor vissoorten waarvan bewezen is dat ze in hoge mate overleven. Er kan ook in beperkte mate van de aanlandingsverplichting worden afgeweken als een visser kan bewijzen dat hij de selectiviteit onmogelijk kan uitvoeren of alleen nadat hij zware kosten heeft moeten maken. In dat verband wordt het begrip de-minimis gehanteerd. Dit is het percentage van de vangst van bepaalde soorten dat legaal mag worden teruggezet vanwege de hierboven genoemde beperkingen.

Als het quotum van een doelsoort uitgeput werd verklaard, moeten de visserij-activiteiten verplicht worden gesloten. In dit verband heeft men het over verstikkingssoorten, zogenaamde choke species, die de visserijpraktijk danig overhoop halen.