Landbouw in zakformaat 2005

Hoe ziet de Vlaamse land- en tuinbouw er op dit moment eigenlijk uit? Welke effecten heeft deze op het milieu? En wat waren de voornaamste beleidsmaatregelen tijdens de voorbije jaren? Vragen die veel mensen bezig houden, niet in het minst de bijna 70.000 arbeidskrachten die nog in de land- en tuinbouwsector tewerkgesteld zijn.

Om op deze vraag een antwoord te bieden, brachten we de meest relevante kengetallen samen in de nieuwe publicatie ‘Landbouw in zakformaat’. Deze publicatie tracht een zo volledig mogelijk beeld te schetsen van de Vlaamse land- en tuinbouw in 2005 aan de hand van structurele, economische, sociale, milieugerelateerde en beleidsbeschrijvende kengetallen.

Landbouw in zakformaat 2005

Enkele blikvangers

De schaalvergroting in de landbouw zet zich duidelijk door. Het aantal land- en tuinbouwbedrijven blijft dalen terwijl de gemiddelde oppervlakte of veebezetting per bedrijf blijft stijgen. De gemiddelde oppervlakte van het bedrijf is sinds 1990 toegenomen met ruim 71% tot 17,9 ha per bedrijf. Het aantal bedrijven met minder dan 30 ha is sinds 1990 continu gedaald, terwijl het aantal bedrijven met meer dan 30 ha een continue stijging kent. In 2004 is voor het eerst het aantal bedrijven met een oppervlakte tussen 30 en 50 hectare gedaald en ligt de grens tussen de afnemende en de groeiende groep bedrijven bij een bedrijfsoppervlakte van ongeveer 50 ha.

Sinds 1990 daalt het aantal runderen geleidelijk maar constant. Het aantal varkens en het aantal stuks pluimvee bleef stijgen tot 1999 maar kent sindsdien een daling. De daling van het aantal stuks pluimvee is sinds 2004 gestopt, vooral dankzij de duidelijke stijging van het aantal vleeskippen (+21%). Melkveehouderij komt vooral voor in Antwerpen en noord-Limburg, terwijl de varkenshouderij vooral in West-Vlaanderen terug te vinden is.

De oppervlakte cultuurgrond in Vlaanderen is sinds 1998 stabiel gebleven. In 2004 is er een duidelijke stijging in de oppervlakte voor wintertarwe (+16%), aardappelen (+14%) en groenbemesters (+41%) ten opzichte van 2003. De sierteelt is sterk vertegenwoordigd in Oost-Vlaanderen, terwijl de fruitteelt vooral voorkomt in Haspengouw en de teelt van tuinbouwgroenten in Antwerpen.

Het aantal land- en tuinbouwbedrijven daalde van 57.934 in 1990 tot 35.486 in 2004Met uitzondering van het jaar 2002 blijft het totaal aantal arbeidskrachten sinds 1990 geleidelijk dalen. Het aandeel vrouwelijke arbeidskrachten blijft de laatste drie jaar constant (36%).

De laatste 10 jaren wordt de kloof tussen het arbeidsinkomen uit landbouw en het vergelijkbaar inkomen uit andere sectoren steeds groter. In 2004 bedraagt het arbeidsinkomen uit landbouw  met 20.100 euro iets minder dan 60% van het vergelijkbaar inkomen.

Meer dan de helft van de bedrijfsleiders in de landbouw is ouder dan 50 jaar. Voor minder dan 14% van hen is de opvolging verzekerd. Hierdoor mag verwacht worden dat het aantal land- en tuinbouwbedrijven in de nabije toekomst nog verder zal afnemen.

Het overschot aan stikstof en fosfor op de nutriëntenbalans van de landbouwsector kent een dalende trend sinds 1990, voornamelijk ten gevolge van de verminderde veestapel. De druk op het waterleven als gevolg van het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen daalt met ruim 38%, Deze daling is voornamelijk toe te schrijven aan de halvering van de druk uitgeoefend door het gebruik van insecticiden.

In de biologische landbouw wordt de licht dalende trend, voor zowel het areaal als het aantal bedrijven, in 2004 voortgezet. Het biologische areaal krimpt met 6,5% ten opzichte van 2003 (3.444 ha) tot 3.219 ha. De daling van het areaal is voornamelijk te wijten aan een daling van het biologisch weiland en een vrij belangrijke daling in de groenteteelt (-21%). Hiermee blijft het totale aandeel van de biologische landbouw in de totale landbouw zeer bescheiden (0,5%).

De totale overheidsuitgaven in het kader van het plattelandsontwikkelingsprogramma PDPO in Vlaanderen, dat sinds 2002 op volle toeren draait, bedroegen in 2004 ruim 76 miljoen euro. Bijna de helft hiervan gaat naar investeringssteun en vestigingssteun. Bijna 18% gaat naar beheerovereenkomsten. Het totale areaal cultuurgrond dat onder één of meerdere beheerovereenkomsten valt is in 2004 met een kwart gestegen tot 82.582 ha.

In het kader van de uitvoering van de eerste pijler van het gemeenschappelijke landbouwbeleid, ook wel directe steun genoemd, kunnen de landbouwers uit de plantaardige sector steun krijgen voor de productie van maïs, andere granen, enz. Deze steun vragen zij aan via de oppervlakteaangifte en bedraagt ruim 39%, 85 miljoen euro, van de totale uitbetaalde directe steun in 2004. In de dierlijke sector kunnen de landbouwers extensiveringsteun, steun voor het houden van zoogkoeien en ooien, en slachtpremies krijgen. In totaal werd in 2004 106 miljoen euro directe steun uitbetaald aan de dierlijke sector.

Vermenigvuldiging of overname van gegevens zijn toegestaan mits expliciete bronvermelding.

Platteau J. & Van Gijseghem D. (2005) Landbouw in zakformaat. Land- en Tuinbouw in Vlaanderen 2005, Departement Landbouw en Visserij, Brussel.

© Vlaamse overheid