Stedenbouwkundige verplichtingen

Op deze pagina:

Heb ik een stedenbouwkundige vergunning nodig voor het plaatsen van een hemelwateropvang of infiltratievoorziening op mijn bedrijf?

Voor de aanleg van een wateropslagsysteem (watersilo, waterbekken …) is er veelal sprake van een verplichting tot aanvraag van een stedenbouwkundige vergunning. Deze verplichting geldt onder meer als er belangrijke reliëfwijzigingen op het terrein plaatsvinden.

Voor de aanleg van een ondergrondse hemelwaterput of infiltratievoorziening bij een vergund gebouw is geen stedenbouwkundige vergunning nodig. De aanleg moet dan wel minstens op één meter van de zijdelingse en achterste perceelsgrenzen gebeuren.

In de andere gevallen, ook voor bovengrondse hemelwaterputten, is een vergunning verplicht.

Voor meer informatie kunt u terecht bij uw gemeente.

Welke maatregelen moet ik nemen voor de opvang van hemelwater bij een verbouwing, bij een nieuwbouw of bij het aanbrengen van verhardingen op mijn bedrijf?

De stedenbouwkundige verordening voor hemelwater en waterputten van 1 oktober 2004 legt elke verbouwer een aantal maatregelen op om te voorkomen dat regenwater onmiddellijk afgevoerd wordt.

Het algemeen uitgangsprincipe is dat regenwater in eerste instantie zoveel mogelijk opgevangen en (her)gebruikt wordt. In tweede instantie moet het resterende gedeelte van het hemelwater worden geïnfiltreerd of gebufferd, zodat in laatste instantie slechts een beperkte hoeveelheid water met vertraging wordt afgevoerd. De plaatsing van de overloop van de hemelwaterput en de infiltratievoorziening moet aan dit principe beantwoorden.

Deze verordening is geldig in het hele Vlaamse gewest. Provincies en gemeenten kunnen strengere regels uitvaardigen voor hun grondgebied. Contacteer dus uw gemeente en provincie. In de provincie Vlaams-Brabant bijvoorbeeld geldt een provinciale, strengere regeling.

Een stedenbouwkundige vergunning voor het bouwen of herbouwen van gebouwen of constructies met een horizontale dakoppervlakte groter dan 75 vierkante meter kan enkel als op de plannen een hemelwaterput is voorzien. Dit geldt ook als de horizontale dakoppervlakte van een gebouw of constructie met meer dan 50 vierkante meter wordt uitgebreid, maar enkel op die uitbreiding. Er is sprake van een herbouwing als minder dan 60% van de buitenmuren wordt behouden.

Gebouwen die worden opgericht op een perceel kleiner dan 3 are, gebouwen met een rieten dak of met een groendak zijn vrijgesteld.

Het volume van de hemelwaterput moet in verhouding staan tot de horizontale dakoppervlakte, volgens de normen vastgelegd in artikel 4 van het besluit.

Als de stedenbouwkundige vergunning betrekking heeft op de bouw van landbouwbedrijfsgebouwen zonder bedrijfswoning dan is de plaatsing van een hemelwaterput niet verplicht. U moet dan wel een infiltratievoorziening plaatsen conform de normen vermeld in artikel 5 van het besluit. Als een infiltratievoorziening niet mogelijk is, moet het hemelwater vertraagd afgevoerd worden waarbij een buffervolume wordt voorzien. De vertraagde afvoer moet gebeuren volgens de voorwaarden uit artikel 6 van het besluit.

In principe is voor de aanleg van verhardingen een stedenbouwkundige vergunning nodig. Behalve voor de aanleg van volgende verhardingen binnen de 30 meter van vergunde woongebouwen en waarbij er geen ophoging is:

  • de strikt noodzakelijke toegangen en opritten naar het gebouw of de gebouwen;
  • tuinpaden in de zij- en achtertuinstrook;
  • terrassen, voor zover ze niet gelegen zijn in de voortuinstrook, minimum 1 meter van de zijdelingse en achterste perceelsgrenzen verwijderd blijven en in totaal niet groter zijn dan 50 vierkante meter.

Deze stedenbouwkundige verordening is niet van toepassing in volgende gevallen:

  1. op verharde grondoppervlakken die nog voldoende infiltratie mogelijk maken, zoals steenslagverharding of grastegels;
  2. op verharde grondoppervlakken die tot het openbare wegdomein behoren of die bestemd zijn om te worden ingelijfd bij het openbare wegdomein;
  3. als het hemelwater dat op de verharde grondoppervlakte valt, op natuurlijke wijze naast de verharde grondoppervlakte op eigen terrein in de bodem kan infiltreren;
  4. als het hemelwater door contact met de verharde oppervlakte dermate vervuild wordt, dat het als afvalwater moet beschouwd worden.

Voor meer informatie kunt u terecht bij uw gemeente.

Wat is een watertoets?

Elk nieuw initiatief waarvoor er een vergunning nodig is (een stedenbouwkundige, een milieuvergunning of een andere) en elk plan of programma, moet vóór de goedkeuring aan de watertoets onderworpen worden. Alleen wanneer er in geen geval schadelijke effecten voor water te verwachten zijn, zoals bijvoorbeeld bij een jachtvergunning, dan zegt het gezond verstand dat de watertoets niet nodig is.

De overheid die zich over de vergunning moet uitspreken, voert de watertoets uit.

Als de watertoets aantoont dat het initiatief schade kan veroorzaken, moet u volgens de voorwaarden die de vergunningverlener stelt, op zoek gaan naar alternatieven of moet u compenserende maatregelen inzetten.

De beslissende overheid legt in de eerste plaats voorwaarden op om de schade te vermijden of zoveel mogelijk te beperken. Als dat niet kan, zal de beslissende overheid de maatregelen richten op herstellen van de schade. Voor schade in de categorie 'infiltratie van hemelwater' of 'ruimte voor water', bestaat een noodoplossing: waar herstel onmogelijk is, kan compensatie eventueel nog een oplossing bieden. Is er - in uitzonderlijke gevallen - geen aanvaardbaar alternatief of herstel mogelijk, dan zit er niets anders op dan de vergunning of de goedkeuring voor het plan of programma te weigeren.

Meer informatie over de watertoets vindt u op de watertoets-website.