Tegengaan van waterverontreiniging veroorzaakt door nutriënten

foto landbouwmachine op akkerOp deze pagina:

Welke nutriënten zijn de oorzaak van een verminderde waterkwaliteit en waarom?

De aanwezigheid van voldoende zuurstof is een basisvoorwaarde voor biologisch leven, en dat is in het water niet anders. Gevoelige soorten verdwijnen snel bij een verlaagde zuurstofconcentratie. Oververzadiging aan zuurstof, veroorzaakt door wierbloei of massale ontwikkeling van waterplanten (zoals eendenkroos), kan schadelijk inwerken op de kieuwen van vissen.

Een overmaat aan nutriënten in het water zorgt ervoor dat bepaalde plantensoorten in een waterloop zich explosief ontwikkelen. Hierdoor vermindert de doorzichtigheid van het water (jagende vissen zien hun prooi niet meer, ondergedoken waterplanten krijgen onvoldoende licht). ’s Nachts kunnen er zuurstoftekorten in het water optreden terwijl er zich overdag oververzadiging kan voordoen. Vooral stikstof- en fosforverbindingen spelen een belangrijke rol in dit proces. Fosfor is de meest sturende variabele in het water voor deze eutrofiëring.

Op het einde van vorige eeuw werd vastgesteld dat de biologische en chemische kwaliteit van de waterlopen in Vlaanderen er danig op achteruit ging. In tal van waterlopen was het visbestand er slecht aan toe of zelfs volledig verdwenen en daalde de diversiteit aan planten in het water.  Eén van de belangrijkste oorzaken van het tekort aan zuurstof en toxiciteit  was een toenemende eutrofiëring en algengroei. Aan de basis van dit fenomeen lagen onder meer de grote concentraties aan fosfor en stikstof in het water.

Meer informatie over eutrofiëring vindt u op de website van de Vlaamse Milieumaatschappij.

Is de Vlaamse land- en tuinbouwer (mede)verantwoordelijk voor waterverontreiniging door nutriënten?

Als belangrijkste gebruiker van de open ruimte palend aan de oppervlaktewaterlichamen zoals sloten, beken en rivieren, is de land- en tuinbouwsector een belangrijke bron voor de aanrijking van het grond- en oppervlaktewater met nutriënten. Bovendien zijn stikstof en fosfor erg belangrijke elementen voor de groei van landbouwteelten. Het is dan ook begrijpelijk dat elke landbouwer, met het oog op een rendabele productie, veel aandacht besteedt om er via bemesting voor te zorgen dat de gewassen in voldoende mate over deze voedingselementen of nutriënten kunnen beschikken.

Probleem daarbij is dat vooral stikstof onder de vorm van nitraat bijzonder goed oplosbaar is in water, en daardoor gemakkelijk kan uitspoelen, vooral bij neerslagoverschot. Dit houdt in dat vooral de stikstof die na de oogst van de gewassen in het najaar in de bodem achterblijft, in het ondiepe grondwater en via afwatering in het oppervlaktewater terechtkomt en na verloop van tijd ook in het diepe grondwater kan terechtkomen. Als het aanbod in de bodem via bemesting groter is dan wat de planten kunnen opnemen, zijn verliezen naar het milieu nagenoeg niet te voorkomen.

Wat fosfaten betreft, is het verhaal heel anders. De meeste bodems kunnen vrij grote hoeveelheden fosfaat vasthouden. Maar die bindingscapaciteit is niet onbeperkt, en door het overmatige gebruik van fosfaat in het verleden, bereiken heel wat landbouwpercelen in Vlaanderen een hoge graad van verzadiging. Op dergelijke percelen slaat fosfaat wel door.

Een andere belangrijke bron van verontreiniging van oppervlaktewater door fosfaat, en in mindere mate ook door stikstof, is de zogenaamde ’run off’. Dit houdt in dat bodemdeeltjes samen met daaraan gebonden fosfaat, afstromen naar het nabijgelegen waterlichaam. Vooral akkerland in erosiegevoelige gebieden kan op dit vlak een belangrijke bron van verontreiniging zijn. Bovendien gaat op die manier vruchtbare grond verloren en zorgt het sediment op andere plaatsen voor overlast.

Welke maatregelen neemt de overheid om verontreiniging door nutriënten afkomstig van bemesting vanuit de landbouw, tegen te gaan? 

Landsgrenzen vormen geen fysieke belemmering voor water, en daarom was het belangrijk dat er op Europees vlak regels werden uitgevaardigd om de waterkwaliteit te verbeteren. Het is dan ook Europa dat maximumnormen vastlegde voor nitraat en orthofosfaat. Voor nitraat nam Europa in de Nitraatrichtlijn in 1991 de eerder bepaalde norm voor drinkwater van 50 mg/l over. In uitvoering van de kaderrichtlijn Water van 2000 stelde Vlaanderen in 2010, als basismilieukwaliteitsnorm voor oppervlaktewateren, richtwaarden voor nitraat en voor orthofosfaat vast. Ook voor Kjeldahl-stikstof (de som van organische stikstof en ammoniakale stikstof), totale stikstof en totale fosfor werden normen opgesteld.

Voor grondwater is de milieukwaliteitsnorm 50 mg nitraat per liter.

Om de lidstaten te motiveren om acties te ondernemen ter verbetering van de waterkwaliteit, werd in 1991 de Nitraatrichtlijn uitgevaardigd. Die richtlijn wil grond- en oppervlaktewater beschermen tegen verontreiniging met nitraten en fosfaten vanuit de landbouw. In 2000 werd de kaderrichtlijn Water uitgevaardigd die uitgaat van een alomvattende, grensoverschrijdende en sectoroverschrijdende aanpak van de waterproblematiek. De Nitraatrichtlijn maakt hiervan integraal onderdeel uit.

Mestdecreet

Om uitvoering te geven aan de Nitraatrichtlijn voerde Vlaanderen in 1991 voor het eerst een Mestdecreet in en werkte Vlaanderen nadien in nauw overleg met Europa achtereenvolgens verschillende mestactieprogramma’s (MAP) uit met de focus op eerder aangeduide kwetsbare gebieden. Na de veroordeling door het Europese Hof voor Justitie besliste Vlaanderen dat het hele grondgebied ’Kwetsbaar gebied Water’ werd. Op 22 december 2006 werd een nieuw decreet aangenomen in verband met de bescherming van het leefmilieu tegen verontreiniging door nutriënten uit agrarische bronnen, of kortweg het Mestdecreet genoemd.

Voor de opvolging van de kwaliteit van het oppervlaktewater werd vanaf 1999 een meetnet van circa 260 zogenaamde ’MAP-meetpunten’ uitgebouwd Dat meetnet werd in 2003 uitgebreid tot circa 800 meetplaatsen met als doel de kwetsbare gebieden meer gedetailleerd af te kunnen bakenen. Dit verklaart waarom Vlaanderen zo’n dicht meetnet heeft in vergelijking met andere lidstaten van de EU. Deze meetpunten worden op regelmatige basis bemonsterd door de Vlaamse Milieumaatschappij (VMM). In 2003 werd ook een meetnet uitgewerkt voor de opvolging van de kwaliteit van het grondwater.

MAP4

Gevolg gevend aan MAP4 werd het Mestdecreet van 2006 voor het laatst gewijzigd op 4 mei 2011. Nadien werd de Beschikking van 29 juni 2011 van de Europese Commissie inzake toekenning van derogatie in enkele uitvoeringsbesluiten omgezet. Hierbij geeft Europa, mits voldaan wordt aan een reeks bijkomende voorwaarden, Vlaanderen de toestemming om voor bepaalde teelten of teeltcombinaties, af te wijken van de algemeen geldende norm van maximaal 170 N/ha uit dierlijke mest. De totale bemestingsnorm voor stikstof wordt daarbij echter niet verhoogd.

MAP4 bevat ambitieuze doelstellingen om de nitraatconcentraties in grond- en oppervlaktewater verder te verlagen. Concreet betekent dit dat, tijdens het lopende actieprogramma 2011 - 2014, het aantal MAP-meetpunten met minstens 1 overschrijding van de norm van 50 mg/l die bij aanvang van MAP4 30% van het totaal aantal meetpunten uitmaken, moet dalen naar maximaal 16%. En tijdens het volgende actieprogramma 2015 - 2018 moet dit aantal verder dalen naar maximaal 5%.

Voor grondwater wordt een daling verwacht van het gemiddelde nitraatgehalte voor de bovenste filter met telkens 10% voor elke periode van 4 jaar tot de grens van 32 mg/l in 2018. Om dat te bereiken werden een aantal maximale bemestingsnormen gevoelig verscherpt. Er worden ook maatregelen opgelegd aan landbouwers die bepaalde nitraatresidu-drempelwaarden overschrijden. Ook het moment waarop mest kan worden gebruikt is cruciaal en dat werd nog verder aangescherpt in MAP4. Verder is er een beheersing van de veestapel via nutriëntenemissierechten, wordt er dierlijk mest verwerkt en worden nutriëntarmere voeders gebruikt.

Hoe ondersteunt de Vlaamse overheid de sector om de ambitieuze doelstellingen van MAP4 te realiseren?

Om de vooropgestelde doelstellingen te helpen realiseren en de implementatie van de regels en normen van MAP4 te vergemakkelijken, heeft de Vlaamse Regering een flankerend beleid uitgewerkt. Om noodzakelijk bijkomend onderzoek te stroomlijnen werd daarbij het ’Platform onderzoek en voorlichting voor duurzame bemesting’ in het leven geroepen, waarvan het Instituut voor Landbouw- en Visserijonderzoek (ILVO), universiteiten, hogescholen en de praktijkcentra onder meer deel uitmaken. Bovendien werd ook een ’Coördinatiecentrum voor voorlichting en begeleiding inzake duurzame bemesting’ (CVBB vzw) opgericht. Dit coördinatiecentrum is verantwoordelijk voor de individuele begeleiding van bedrijven en de oprichting en werking van waterkwaliteitsgroepen. Verder maakte de Vlaamse Regering heel wat middelen vrij voor de uitvoering van demonstratieprojecten gericht op een meer duurzame bemesting en voor de ondersteuning via VLIF van investeringen voor bijkomende opslag voor vaste mest en kleinschalige mestverwerking zoals mestscheiding. Op het vlak van administratieve vereenvoudiging en verbetering van de dienstverlening via het e-loket van het departement Landbouw en Visserij en het e-loket van de Vlaamse Landmaatschappij (VLM) wordt meer dan ooit samengewerkt tussen de diensten van VLM Mestbank en het departement Landbouw en Visserij. Zo zal het vanaf 2012 wellicht mogelijk zijn dat iedere landbouwer op basis van de perceelsgegevens uit de verzamelaanvraag, onmiddellijk de mogelijkheden voor de afzet van dierlijke mest op zijn bedrijf  kan aflezen.

Hoe kan ik als land- of tuinbouwer via bemesting een positieve bijdrage leveren tot het verbeteren van de waterkwaliteit?

Het correct naleven van de regels en normen van het Mestdecreet is een minimumvoorwaarde. Maar ook dat levert niet altijd het gewenste resultaat op betreffende goede waterkwaliteit omdat het in een aantal situaties nodig is om verder te gaan. Daarvoor zijn een grondige kennis, aangepaste bemestingstechnieken en -management en de inzet van de meest moderne technologie noodzakelijk.

Als leidraad voor de land- en tuinbouwer zal door een team van experten ter zake een heuse Praktijkgids Bemesting worden uitgewerkt.

Meer info

Geert Rombouts | Tel. 02 552 78 83 | geert.rombouts@lv.vlaanderen.be