Tegengaan van verontreiniging door spuistroom afkomstig van teelten op groeimedium

Op deze pagina:

Wat is spuistroom?

Bij de teelt van gewassen in de grondloze tuinbouw, zoals in de glastuinbouw en in de sierteelt, wordt voedingswater, waaraan meststoffen zijn toegevoegd, aan de planten toegediend. U moet het voedingswater dat niet door de gewassen wordt opgenomen, ook drainwater genoemd, opvangen.

Aangezien in dit (drain)water nog voedingsstoffen aanwezig zijn, is het waardevol om het opnieuw te gebruiken als voedingswater via een recirculatiesysteem. Het drainwater wordt opgevangen, verzameld, gefilterd, ontsmet, vermengd met vers water en gevoed met meststoffen. Water en meststoffen worden hergebruikt en dat levert een kostenbesparing en een vermindering van het waterverbruik op.

In uitzonderlijke gevallen is het drainwater niet meer bruikbaar als voedingswater, onder meer omwille van aanrijking met één of meerdere nutriënten waardoor kritische grenzen voor de teelt worden overschreden of omwille van een opstapeling van ballastzouten. Hierdoor ontstaat een reststroom die in bepaalde mate voedingstoffen zoals nitraat bevatten.

Spuistroom is het overtollige drainwater dat niet hergebruikt wordt als voedingswater. Spuistroom is binnen de wetgeving van het Mestdecreet ingedeeld bij ‘andere meststoffen’. Als u geen voedingswater toedient, maar enkel water, is er geen sprake van spuistroom.

Wat moet ik doen met onbruikbaar drainwater of spuistroom?

Alle soorten meststoffen, dus ook spuistroom, moet u op landbouwgrond aanbrengen of verwerken.

Spuiwater mag u niet lozen in openbare rioleringen, in oppervlaktewateren of in grondwater, tenzij u hiervoor een milieuvergunning heeft en loost volgens de voorwaarden van deze vergunning.

Spuistroom mag u niet storten op openbare wegen, op bermen en op alle andere plaatsen die geen landbouwgrond of groeimedium zijn.

De mogelijkheden voor de verwijdering van spuistroom en de aanbreng van spuistroom op landbouwgrond zijn bepaald door het Mestdecreet van 22 december 2006 en het besluit van de Vlaamse Regering van 10 oktober 2008 betreffende nadere regels rond tuinbouw ter uitvoering van het Mestdecreet.

Er wordt hierbij een onderscheid gemaakt tussen de winter- en zomerperiode

1. Wat is er bepaald voor de zomerperiode?

In de periode van 16 februari tot 31 augustus kunt u de spuistroom als meststof uitspreiden op eigen landbouwgrond of bij een collega land-of tuinbouwer. In dat laatste geval sluit de teler een overeenkomst met die andere land-of tuinbouwer om een bepaalde hoeveelheid spuistroom te leveren.

2. Wat is er bepaald voor de winterperiode?

Spuistroom mag niet aangebracht worden op landbouwgrond in de periode van 1 september tot en met 15 februari, tenzij u beschikt over een attest van lage stikstofinhoud. Tuinbouwers met teelten op groeimedium onder permanente overkapping, moeten sinds 1 januari 2011 over de nodige opslagcapaciteit voor de spuistroom (zie volgende titel i.v.m. wetgeving) beschikken. Die opslagcapaciteit is nodig om de uitrijverbodsperiode van spuistroom te kunnen overbruggen.

Daarnaast voorziet het mestdecreet ook in specifieke mogelijkheden om spuistroom tijdens de zomer- of winterperiode te verwijderen op een voor het leefmilieu onschadelijke manier. Deze mogelijkheden zijn opgelijst in art. 13 §3 van het hierboven vermelde besluit. Een voorbeeld hiervan is lozing mits voldaan wordt aan de voorwaarden van de milieuvergunning, bijvoorbeeld na zuivering. U vindt deze milieuvriendelijke alternatieven ook terug in de vraag ’Wat moet ik doen als mijn bedrijf onvoldoende opslagcapaciteit heeft?’

Waarom moet er opslagcapaciteit voor spuistroom voorzien worden?

Het Mestdecreet stelt dat er in de periode van 1 september tot en met 15 februari geen meststoffen, zoals spuistroom, mogen uitgevoerd worden op landbouwgrond. Om die periode te overbruggen moet voor de grondloze tuinbouw of de teelten op groeimedium onder permanente overkapping voldoende opslagcapaciteit voorzien worden.

Wat zegt de wetgeving over spuistroom voor teelten op een groeimedium onder permanente overkapping?

Het Mestdecreet vermeldt in art. 9, §2 dat landbouwers die voor de teelt onder permanente overkapping gebruik maken van groeimedium, sinds 1 januari 2011 moeten beschikken over een opslagcapaciteit die minstens overeenstemt met de hoeveelheid spuistroom geproduceerd gedurende 6 maanden. De verplichting geldt niet als u kunt aantonen dat elke hoeveelheid spuistroom boven de werkelijke opslagcapaciteit zal verwijderd worden op een voor het leefmilieu onschadelijke manier, zoals vermeld in artikel 13 §3 van besluit van de Vlaamse Regering van 10 oktober 2008 betreffende nadere regels rond tuinbouw ter uitvoering van het Mestdecreet.

Groeimedium in openlucht valt niet onder de bepalingen van art. 9 §2. Spuistroom afkomstig van de velden in openlucht moet wel worden opgevangen en correct gebruikt worden conform het Mestdecreet.

Groeimedium is materiaal in vaste of vloeibare vorm (geen landbouwgrond) dat gebruikt wordt als voedingsbodem voor planten. Voorbeelden zijn turf, potgrond en perliet voor de teelt van o.a. sierplanten en boomkwekerijgewassen in potten, steenwol voor de productie van o.a. vruchtgroenten, veenbalen gebruikt in onder meer de aardbeiteelt …

Als u bij de irrigatie van de planten enkel water gebruikt zonder toediening van voedingsstoffen, is er geen sprake van spuistroom en heeft u geen opslagcapaciteit voor spuistroom nodig. Uiteraard blijft het aanbevolen om het overtollige water op te vangen en nuttig te (her)gebruiken.

De benodigde opslagcapaciteit voor spuistroom afkomstig van teelten op groeimedium onder permanente overkapping, is afhankelijk van de teelt en verschilt voor teeltsystemen met recirculatie en zonder recirculatie en is in functie van de oppervlakte aan groeimedium. Aan de hand van een stappenplan kunt u de benodigde opslagcapaciteit berekenen. Een vergelijking met de opslagcapaciteit die al op uw bedrijf aanwezig is, toont u of uw bedrijf al over voldoende opslag beschikt.

Wat moet ik doen als mijn bedrijf onvoldoende opslagcapaciteit heeft?

Als de benodigde opslagcapaciteit voor spuistroom op uw bedrijf onvoldoende is, kunt u:

  • de bedrijfsvoering aanpassen zodat op het bedrijf minder of geen spuistroom wordt geproduceerd. Een voorbeeld is de installatie en de ingebruikname van een recirculatiesysteem, als dat nog niet aanwezig is;
  • investeren in opslagcapaciteit;
  • een overeenkomst met een mestverwerkingsinstallatie afsluiten;
  • milieuvriendelijke alternatieven toepassen zoals vermeld in artikel 13 §3 van het besluit van de Vlaamse Regering van 10 oktober 2008 betreffende nadere regels rond tuinbouw ter uitvoering van het Mestdecreet:
    • lozen van de spuistroom, mits milieuvergunning en overeenkomstig de voorwaarden die in de milieuvergunning zijn opgenomen;
    • winterspreiding op landbouwgrond, mits aanwezigheid van een attest van lage stikstofinhoud (3 jaar geldig voor spuistroom);
    • aanbrengen van de spuistroom via rechtstreekse insijpeling op het perceel landbouwgrond waarop houtig kleinfruit en aardbeien op groeimedium geteeld worden. De hoeveelheid spuistroom is hierbij beperkt tot een maximum van 100 l per m²/jaar en mag niet meer bedragen dan de hoeveelheid kunstmest die volgens de bemestingsnormen op grasland mogen aangebracht worden. Hiervan mag maximaal 20 l per m² in de periode van september tot februari insijpelen.
  • een bedrijfsdoorlichting laten uitvoeren door een erkend praktijkcentrum.
    Deze mogelijkheid is vooral bedoeld voor bedrijven met minder gebruikelijke teelten of teeltsystemen die niet opgenomen zijn in de tabel van art. 12 §2 van het besluit van de Vlaamse Regering van 10 oktober 2008 betreffende nadere regels rond tuinbouw ter uitvoering van het Mestdecreet.
    Door die bedrijfsdoorlichting wordt de reële benodigde opslagcapaciteit berekend. Die kan verschillend zijn van de cijfers die opgenomen zijn in de tabel van artikel 12 §2 van het besluit van de Vlaamse Regering van 10 oktober 2008 betreffende nadere regels rond tuinbouw ter uitvoering van het Mestdecreet.
    Het erkend praktijkcentrum maakt een onderbouwd verslag op met een advies over het al dan niet aanwezig zijn van de benodigde opslagcapaciteit voor spuistroom.
    Een dossier met het verslag van de bedrijfsdoorlichting moet ingediend worden bij de Mestbank.
    Een lijst van erkende praktijkcentra kunt u aanvragen bij de Mestbank of op www.vlm.be.

De keuze tot mestverwerking van de spuistroom, de toepassing van de milieuvriendelijke alternatieven en het werken volgens de resultaten van de bedrijfsvoorlichting, moet u via de mestbankaangifte melden aan de hand van de nodige bewijsstukken.

Op de website van de Vlaamse Landmaatschappij (VLM) vindt u meer informatie over de voorwaarden met betrekking tot:

  • opslag van spuistroom;
  • vervoer van spuistroom;
  • en afzet van spuistroom.

Voor vragen kunt u contact opnemen met de Mestbank in uw provincie.

Meer info

Marleen Mertens, ingenieur
Tel. 09 276 28 47
E-mail: marleen.mertens@lv.vlaanderen.be