Toekomstverkenning Landbouw en Milieu

Jose Gavilan, Koen Carels, Dirk Van Gijseghem (Departement Landbouw en Visserij)

Stijn Overloop, Tom D'Heygere, Kor Van Hoof (Vlaamse Milieumaatschappij)

John Helming (LEI)

Toekomstverkenning Landbouw en Milieu

Het Departement Landbouw en Visserij en de Vlaamse Milieumaatschappij (VMM) publiceren de studie “Toekomstverkenning Landbouw en Milieu - het SELES-model”. Doel van de studie is de toekomst te verkennen voor de Vlaamse landbouw door middel van kwantitatieve modelberekeningen. De tijdshorizon van de toekomstverkenning is 2020. De output die met het model bekomen wordt, dient geïnterpreteerd te worden met in acht name van de beperkingen van het model en de bij de scenario’s gebruikte assumpties.

Een verdere liberalisering van de prijzen en productievoorwaarden (quota, directe betalingen) in combinatie met een sterk milieubeleid kan tot de beste resultaten voor de hele landbouwsector en het milieu leiden, mits de inzet van nieuwe milieutechnieken op het gebied van ammoniakemissie, bestrijdingsmiddelen en watergebruik. Dit leidt echter ook tot grote wijzingen in de omvang van de landbouwactiviteiten, zodat de uitkomsten voor afzonderlijke bedrijven heel anders kunnen liggen.

Toekomstverkenning

Het Departement Landbouw en Visserij en de Vlaamse Milieumaatschappij (VMM) publiceren de studie “Toekomstverkenning Landbouw en Milieu - het SELES-model”. Doel van de studie is de toekomst te verkennen voor de Vlaamse landbouw door middel van kwantitatieve modelberekeningen. De ingezette modellen zijn het SELES-model (Socio Economisch Landbouweffecten Evaluatie Systeem) en het SENTWA-model (System for the Evaluation of Nutrient Transport to Water) voor de bepaling van de belasting van het oppervlaktewater.

De keuze voor kwantitatieve modelberekeningen laat toe om de samenhang tussen inputs en outputs op het niveau van de gehele landbouwsector te analyseren en te verduidelijken. De tijdshorizon van de toekomstverkenning is 2020. De uitkomsten van de modelberekeningen zijn geenszins een toekomstvoorspelling, maar geven aan tot welke uitkomsten beleidskeuzes kunnen leiden. Het effect van alternatieve beleidsopties kan kwantitatief uitgedrukt worden en vergeleken worden met een situatie van ongewijzigd beleid. De autonome ontwikkelingen bij ongewijzigd beleid, gebaseerd op historische trendanalyse en op expertenkennis, worden in beeld gebracht in het referentiescenario. Mogelijke beleidskeuzes, in combinatie met ontwikkelingen van de landbouwexterne omgeving worden gegroepeerd in 4 beleidsscenario’s om vergeleken te worden met het referentiescenario. Deze methode laat toe met een statisch model verschillende toekomstbeelden te vergelijken.

De beleidsscenario’s werden opgebouwd rond de sleutelonzekerheid inzake liberalisering van de handel in landbouwproducten en inzake mestbeleid.

In elk van de 4 beleidsscenario is een welbepaalde combinatie gemaakt van scenario-elementen productiviteit, prijs, milieutechnologie en milieu- en landbouwbeleid. De ontwikkeling van productiviteit, excretie per dier, mestverwerkingskost, nutriëntenbehoefte van gewassen en de derogatie werd gekoppeld aan de sleutelonzekerheid milieubeleid. De quotaregeling, de directe betalingen van de eerste pijler van het Gemeenschappelijk landbouwbeleid (GLB) en het prijsniveau van de producten werden gekoppeld aan de mate van liberalisering.

4 beleidsscenario's
4 beleidsscenario's Weinig liberalisering veel liberalisering
sterk milieubeleid Europa en Milieu (EM) Welvaart en Milieu (WM) (gunstige prijzen)
zwak milieubeleid Regionale Markt (RM) Economie en Globalisering (EG) (ongunstige prijzen)

De output die met het model bekomen wordt, dient uiteraard geïnterpreteerd te worden met in acht name van de eigenschappen en beperkingen van het model en de bij de scenario’s geldende assumpties. De modeluitkomsten zijn immers specifiek voor het scenario en de daarbij behorende aannames met betrekkking tot prijsniveau, mestacceptatie, excretiecijfers en mestverwerkingskost.

Resultaten

In het referentiescenario (2020) is er een lichte daling van de veestapel t.o.v. de startsituatie (2000-2001), door de gestegen productiviteit (aantal varkens: -5%; melkvee -20%, vleesrundvee: -31%, pluimvee: -2%). Alle akkerbouw- en tuinbouwactiviteiten nemen toe in oppervlakte, behalve granen (-6%), ruwvoer (-9%) en suikerbieten (-9%). Het totaalsaldo van de veeteelt kent een daling (-17%), maar de akker- en tuinbouwactiviteiten genereren een hoger saldo t.o.v. de startsituatie (+46%), zodat 70% van het totaalsaldo door akker- en tuinbouwactiviteiten wordt gegenereerd. In de startsituatie was dit maar 57%.

Liberalisering brengt een element van “instabiliteit” in de modelresultaten. De scenario’s met weinig liberalisering (EM en RM) laten voor de meeste sectoren geen grote schommelingen zien ten opzichte van de referentie.

In de liberale scenario’s WM en EG is er toename van de varkensstapel (+28 à +41%) en melkvee (+46 à 55%) t.o.v. het referentiescenario, maar ten koste van het vleesrundvee (-55 à -62%) en het pluimvee (-32 à -71%). De prijsdalingen in de liberale scenario’s ondergraven de rendabiliteit van de vleesrundveesector. De grootste variatie tussen de beleidsscenario’s qua grondgebruik situeert zich tussen de activiteiten graan, ruwvoer en suikerbieten. In de liberale scenario’s WM en EG verschuift het grondgebruik van granen sterk naar suikerbieten en ruwvoer. Het zijn ook deze activiteiten die de grootste schommelingen in saldo per hectare kennen. Onder sterk milieubeleid stijgen de saldi per hectare van alle akkerbouwactiviteiten t.o.v. het referentiescenario door inkomsten uit mestacceptatie. Dit alles leidt tot een totaalsaldo dat in scenario WM en EM, respectievelijk sterk (+14%) en licht (+3%) toeneemt t.o.v. de referentie. Andere combinaties leiden tot een gelijkblijvend saldo t.o.v. de referentie. Liberalisering met gematigde prijsdaling, in combinatie met een sterk milieubeleid (scenario WM) leidt tot de grootste stijging in totaalsaldo voor de hele landbouwsector. Aan de vraagzijde is van belang of de liberalisering werkelijk tot welvaartseffecten zal leiden. Te verwachten valt dat bij liberalisering prijzen zullen fluctueren. Prijzen van landbouwproducten op de wereldmarkt zijn instabiel en zullen dat in de toekomst vermoedelijk ook blijven. Dit werd gemodelleerd door prijsvariaties voor landbouwproducten tussen de liberale scenario’s in te brengen. Aan de aanbodszijde is bij een liberaliseringscenario te verwachten dat nieuwe spelers uit andere landen zullen willen toetreden tot de markten van de ontwikkelde landen.

Ook de milieu-impact van de verschillende scenario’s werd ingeschat. De beste milieuresultaten worden dan gehaald met het scenario “Europa en Milieu” (EM), maar verdere conclusies hieruit trekken zijn voorbarig aangezien in de scenario’s geen rekening werd gehouden met nieuwe milieutechnologie voor bepaalde milieuparameters. Substitutie met pluimveemest is in alle scenario’s mogelijk. In de startsituatie is de omvang van de gemodelleerde mestverwerking beduidend groter dan de werkelijke mestverwerkingscapaciteit in 2000-2001. De grootschalige mestverwerking neemt volgens het model in alle beleidsscenario’s toe ten opzichte van de referentie. Mestverwerking moet in dit model gezien worden als een grootschalige mestverwerking, waarvan de operationele capaciteit onbeperkt is en niet gebonden aan de omvang van het bedrijf. De vraag naar mestverwerking is afhankelijk van de prijs van mestverwerking en de mestafzetkosten op de mestmarkt.

Het overschot op de bodembalans omvat de verliezen naar bodem en water. Het overschot daalt zowel in de referentie en de beleidsscenario’s door de grote omvang van de mestverwerking maar komt uit boven de doelstelling van 70 kg N/ha.

Milieuparameters zoals ammoniakemissie, gebruik van bestrijdingsmiddelen en het waterverbruik evolueren mee met de ontwikkelingen in arealen en veestapel van de betreffende sectoren. De ammoniakemissie neemt enkel in het beleidsscenario EM af t.o.v. het referentiescenario (-20%) en toont aan dat de keuzes onder de andere scenario’s niet compatibel zijn met het huidige ammoniakbeleid. De maatregel van emissie-arme stallen is nog niet geïmplementeerd in deze beleidsscenario’s en kan tot een bijkomende emissiedaling leiden zodat de ammoniakemissie onder het vooropgestelde emissieplafond van 37 kton NH3-N (of 45 kton NH3) blijft.

De effecten naar de belasting van het oppervlaktewater zijn doorgerekend met het SENTWA-model. In de mate dat de scenario’s een aanzienlijk gereduceerde totale bemesting vooropstellen, is de huidige schatting van drainage- en grondwaterverliezen vermoedelijk relatief hoog. Indien de nutriëntvoorraden in de bodem op termijn afnemen (én de organische koolstof toeneemt) kan verwacht worden dat de uitspoeling via de bodem beperkter zal zijn dan momenteel berekend wordt met de kennis die nu voor handen is. Ten opzichte van de huidige situatie wordt een reductie van de stikstof- en fosforverliezen met respectievelijk 8% en 10% voorspeld bij autonome ontwikkeling. Dit is een gevolg van de afname van de totale mestgebruik, zowel van kunstmest als dierlijke mest. In een scenario met een sterk milieubeleid en weinig liberalisering dalen de fosforverliezen verder, maar niet de stikstofverliezen en dit ondanks een dalend mestgebruik. In het scenario met veel liberalisering zijn de verliezen hoger bij een zwak milieubeleid dan bij een sterk milieubeleid. Er kan geconcludeerd worden dat niet enkel aandacht moet gaan naar een verlaging van de mestproductie maar tevens naar het effect van de invulling van teelten op de nutriëntverliezen vanuit de landbouw.

Meer informatie

José Gavilan | Tel. 02 552 78 45 | jose.gavilanyalvarez@lv.vlaanderen.be

Vermenigvuldiging of overname van gegevens zijn toegestaan mits expliciete bronvermelding.
© Vlaamse overheid

Koning Albert II-Laan 35, bus 40 - 1030 Brussel (wegbeschrijving)
Tel. 02 552 78 20 | kennis@lv.vlaanderen.be