Resultaten in de glastuinbouwenquête 2006: Karakteristieken en energiegebruik

José Gavilán, Koen Holmstock

Resultaten in de glastuinbouwenquête 2006: Karakteristieken en energiegebruik

Het Departement Landbouw en Visserij heeft in 2006 een enquête georganiseerd over de productie-infrastructuur en het energiegebruik in de glastuinbouw.

De enquête kadert in het actieplan “Naar een duurzamere glastuinbouw in Vlaanderen” goedgekeurd door de Vlaamse regering in 2003 en de ontwikkelingen in het klimaatbeleid (Vlaams Klimaatplan 2006-2012) en de daarbij voorziene daling van de uitstoot van broeikasgassen. De voornaamste doelstelling van het actieplan is het realiseren van een modern, economisch gezond en milieuvriendelijk glasareaal. Op het vlak van energiegebruik en de daaraan gerelateerde uitstoot van broeikasgassen wordt in het Vlaams Klimaatplan 2006-2012 beoogd om tegen 2012 75% van het energiegebruik te voorzien in het gebruik van aardgas en andere duurzame energiebronnen waarbij op korte termijn gedacht wordt aan de uitbreiding van WKK- installaties op aardgas en het gebruik van biomassa (verbranding van hout) en op langere termijn het gebruik van restwarmte en CO2 -vanuit de industrie.

Voor de verspreiding van deze enquête werd beroep gedaan op de medewerking van de FOD economie (het vroegere NIS). Aan de FOD economie werd gevraagd om aanvullend aan de 15-mei landbouwtelling van 2006 éénmalig een aantal bijkomende vragen te stellen aan de bedrijfsleiders actief in de glastuinbouw. De laatste grootschalige enquête met betrekking tot de productie- infrastructuur in de glastuinbouw dateert van 1996.

De enquête werd ontworpen in overleg met de beroepsorganisaties en de veilingen.

De vragen betreffen het productiejaar 2005 en hadden betrekking op het bouwjaar van de glasopstand, het areaal glas, energiebesparende maatregelen, het soort brandstof dat voor de verwarming gebruikt werd, het verbruik, het soort kasbedekking, het type serre, de geproduceerde teelten in de serre, aanwezigheid van een energiescherm, gebruik van kunstbelichting of niet. De meeste van deze kenmerken hebben te maken met energie en energieverbruik. Er dient opgemerkt te worden dat er in deze studie enkel over serres met glasbedekking of vaste constructies met bedekking in harde plastiek wordt gesproken.

Aan de volledige populatie van bedrijven die in de landbouwtelling een oppervlakte glasopstand aangaven werd gevraagd om deze glasopstand in een afzonderlijke vragenlijst verder te detailleren. Dit betekent dus dat zowel bedrijven met beroepsmatig karakter als gelegenheidsbedrijven werden opgenomen. Dit houdt concreet in dat heel wat bedrijfjes met een klein areaal glas zijn opgenomen. Ook grotere bedrijven met een beperkt glasareaal waar bijvoorbeeld plantmateriaal van groenten worden gekweekt zijn opgenomen.

Deelname aan de enquête was niet verplicht. Het areaal glasopstand bedraagt volgens de 15- mei telling van 2005 totaal 2170 hectare. Het totale areaal van de deelnemende bedrijven aan de enquête bedraagt daarentegen 760 ha.

Er werden in totaal 983 enquêtes ingebracht voor 971 verschillende bedrijven.

Tuinbouwers met een hoger (vruchtgroenten) en beredeneerd (groenten in teeltafwisseling) energieverbruik hebben zich extra betrokken gevoelen bij het invullen van de enquête. Voor een enquête waar het energieverbruik centraal stond is dit een uitzonderlijk succes. Bij de extrapolatie naar de gehele tuinbouwpopulatie moet gewerkt worden met gegevens per teeltcategorie en niet met de globale cijfers over alle gewascategorieën heen omdat tuinders met een lager energieverbruik minder vertegenwoordigd zijn.

Vergelijking met andere studies uit het verleden is niet vanzelfsprekend. Bij de bespreking van de resultaten van de gegevens van de enquête van 1996 werd enkel rekening gehouden met de gespecialiseerde tuinbouwbedrijven. Die bedrijven werden ingedeeld op basis van de bruto standaardsaldi. Wanneer minstens tweederde van dit saldo behaald werd uit de teelt van tuinbouwproducten werd dit bedrijf als gespecialiseerd tuinbouwbedrijf bestempeld. Ook werd enkel rekening gehouden met professionele bedrijven. Ook dit werd bepaald op basis van de hoogte van het bruto standaardsaldo. Hiervoor wilde men vermijden dat het gemiddelde beeld beïnvloed zou worden door de vele bedrijven met een beperkte glasoppervlakte (Van Lierde & Carels, 2000). In 1996 was dit mogelijk omdat de antwoorden op de enquête gekoppeld waren aan de 15- mei landbouwtelling.

Bij de bespreking van de resultaten van de enquête van 2006 is zo’ n opsplitsing in de populatie van de respondenten niet opgemaakt om de eenvoudige reden dat de antwoorden nu totaal losgekoppeld zijn van 15- mei landbouwtelling. Bij de verwerking van de enquête kan aldus niet meer bepaald worden of de respondenten andere teelten aanhouden dan de teelten onder glas.

Vermenigvuldiging of overname van gegevens zijn toegestaan mits expliciete bronvermelding:

Gavilán J. & Holmstock K. (2007) Resultaten in de glastuinbouwenquête 2006. Karakteristieken en energiegebruik, Beleidsdomein Landbouw en Visserij, Brussel

© Vlaamse overheid

Koning Albert II-Laan 35, bus 40 - 1030 Brussel (wegbeschrijving)
Tel. 02 552 78 20 | kennis@lv.vlaanderen.be