De Vlaamse land- en tuinbouw in cijfers 2003

VOLT

Landbouw in zakformaat

Hoe ziet de Vlaamse land- en tuinbouw er op dit moment eigenlijk uit? Welke effecten heeft deze op het milieu? En wat waren de voornaamste beleidsmaatregelen tijdens de voorbije jaren? Vragen die veel mensen bezig houden, niet in het minst de meer dan 72.000 arbeidskrachten die nog in de land- en tuinbouwsector tewerkgesteld zijn.

Om op deze vraag een antwoord te bieden, bracht de Vlaamse Onderzoekseenheid voor Land- en Tuinbouweconomie (VOLT) de meest relevante kengetallen samen in hun nieuwe publicatie 'Landbouw in zakformaat'. Deze publicatie poogt een zo volledig mogelijk beeld te schetsen van de Vlaamse land- en tuinbouw in 2003 en dit aan de hand van structurele, economische, sociale, milieugerelateerde en beleidsbeschrijvende kengetallen.

Enkele blikvangers

In de nieuwste editie van 'Landbouw in zakformaat' zijn voor het eerst cijfers met betrekking tot het landbouwbeleid opgenomen.

Na de moeilijke start van het Plattelandsbeleid in het eerste jaar, komt de uitvoering van het Vlaamse plattelandsbeleid vanaf 2002 goed op gang, met in totaal 77 miljoen euro aan uitgaven, meer dan een verdubbeling ten opzichte van 2001. Ruim de helft (55%) hiervan gaat naar overgangsmaatregelen, investeringssteun en vestigingssteun. Bijna 19% van de uitgaven gaat naar beheersovereenkomsten. Het totale areaal cultuurgrond dat onder één of meerdere beheersovereenkomsten valt is in 2002 met 25% gestegen tot 52.500 ha.

In het kader van de uitvoering van de eerste pijler van het gemeenschappelijk landbouwbeleid, ook wel directe steun genoemd, kunnen de landbouwers uit de plantaardige sector steun krijgen voor de productie van maïs, andere granen, enz. Deze steun vragen zij aan via de oppervlakteaangifte. Deze steun bedraagt ruim 78 miljoen euro of 43% van de totale uitbetaalde directe steun in 2002. In de dierlijke sector kunnen de landbouwers extensiveringsteun, steun voor het houden van zoogkoeien en ooien, en slachtpremies krijgen. In totaal werd in 2002 107 miljoen euro directe steun uitbetaald aan de dierlijke sector. Dit is een toename van 176% ten opzichte van 2000, dankzij de verhoogde premiebedragen per rund en de introductie van de slachtpremies.

De schaalvergroting in de landbouw zet zich door. Het aantal land- en tuinbouwbedrijven blijft dalen terwijl de gemiddelde oppervlakte of veebezetting per bedrijf blijft stijgen. De gemiddelde oppervlakte van het bedrijf is sinds 1990 toegenomen met ruim 60% tot 18 ha per bedrijf. Het aantal bedrijven onder 30 ha is sinds 1990 continu gedaald, terwijl het aantal bedrijven boven 30 ha een continue stijging kent. Het laatste jaar echter kent het aantal runderen per bedrijf een lichte daling.

Sinds 1990 daalt het aantal runderen geleidelijk maar constant. Het aantal varkens en het aantal stuks pluimvee bleef stijgen tot 1999 maar kent sindsdien een daling (respectievelijk -13% en 5%). De daling van het aantal stuks pluimvee is sinds 2002 gestopt. Het aantal zoogkoeien neemt in 2002 toe met 10%, en het aantal geiten stijgt met 28%.

De totale oppervlakte landbouwgrond in Vlaanderen kende een constante daling tot 1992, waarna ze opnieuw geleidelijk steeg tot 635.463 ha in 2002. Dit landbouwareaal situeert zich vooral in West- en Oost-Vlaanderen, Haspengouw en de Noorderkempen. Rundveehouderij komt eerder verspreid voor over heel Vlaanderen terwijl varkens en pluimvee vooral gekweekt worden in West-Vlaanderen en de Noorderkempen.

Het aantal land- en tuinbouwbedrijven blijft dalen van 57.934 in 1990 tot 37.879 in 2002. Voor het eerst sinds 1990 (96.357) stijgt het aantal arbeidskrachten in de land- en tuinbouw (+0,5% tot 72.383 in 2002). Het aandeel vrouwelijke arbeidskrachten blijft min of meer constant op 35,5%: momenteel is, net als in 2001, 60% hiervan voltijds tewerkgesteld terwijl dit in 1990 slechts 42% was.

Sinds 1990 wordt de kloof tussen het arbeidsinkomen uit landbouw en het vergelijkbaar inkomen uit andere sectoren steeds groter: van 8% verschil in 1990 tot 31% in 2001.

Meer dan de helft van de bedrijfsleiders in de landbouw is ouder dan 50 jaar. Voor 14% van hen is de opvolging verzekerd. Hierdoor mag verwacht worden dat het aantal land- en tuinbouwbedrijven in de nabije toekomst nog verder zal afnemen.

Het overschot op de bodembalans voor stikstof kent ten opzichte van 1990 een daling met 35%, toch is nog een flinke afstand af te leggen om de doelstellingen op lange termijn te halen. Het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen in de landbouw, en als gevolg daarvan de totale druk op het waterleven, neemt af met 17% in 2001 t.o.v. 1990. Dit betekende evenwel een stijging van bijna 10% sinds1999.

In 2002 is het totale areaal biologische landbouw voor het eerst gedaald, met namelijk 4%. Hiermee blijft het totale aandeel van de biologische landbouw in de totale landbouw zeer bescheiden (0,6%).

Vermenigvuldiging of overname van gegevens zijn toegestaan mits expliciete bronvermelding.

© Vlaamse overheid

Koning Albert II-Laan 35, bus 40 - 1030 Brussel (wegbeschrijving)
Tel. 02 552 78 20 | kennis@lv.vlaanderen.be