Richtsnoeren voor een betere bodemvruchtbaarheid door het doorbreken van de monocultuur maïs

Korte beschrijving

Maïs wordt op een gespecialiseerd melkveebedijf vaak in monocultuur geteeld. Jarenlang kon dit zonder  veel problemen. De laatste jaren blijkt deze zekerheid geen evidentie meer te zijn. Gevolgen van bv droogte worden zich sneller zichtbaar met lagere opbrengsten tot gevolg.  De oorzaak is vaak terug te vinden bij de bodemvruchtbaarheid in de brede zin, gekoppeld aan de jarenlange monocultuur. Het doorbreken van de monocultuur biedt kansen om de bodemvruchtbaarheid, en ook de maisteelt, op peil te houden en/of te verbeteren. Dit project wil landbouwers bewust maken van de voordelen, zowel teelttechnisch of financieel,  van vruchtwisseling bij de maisteelt om tot een betere bodemvruchtbaarheid te komen.

Gedetailleerde beschrijving

Het aanreiken van richtsnoeren voor een betere bodemvruchtbaarheid door het doorbreken van de monocultuur maïs is vandaag uitermate beleidsrelevant in het licht van de volgende doelstellingen: de vergroeningsmaatregelen die worden geïmplementeerd, de verbetering van de organische stof-toestand in het algemeen en meer specifiek in erosiegevoelige percelen, het herstel van de bodemkwaliteit en remediering van bodemverdichting, de betere benutting van organisch materiaal, koolstofsequestratie.

De projectaanvraag start van de vaststelling dat er in Vlaanderen nog veel werk aan de winkel is op het vlak van de bodemvruchtbaarheid. In de periode 2008-2011 heeft 39% van de akkerbouwgronden een pH lager dan de streefzone en 35% van de percelen heeft een te laag gehalte aan organische stof (Maes et a., 2012). Ondanks een voorzichtige positieve trend (voornamelijk op het vlak van organische stof) blijkt er toch een belangrijke spreiding te bestaan in de praktijk en laat de maïsteelt in monocultuur weinig mogelijkheden om op een gestructureerde wijze beide parameters aan te pakken. In het voorjaar ligt het hoofdaccent vaak op het toedienen van organische mest (voornamelijk mengmest) en in het najaar laat een late oogst het niet toe om nog naar behoren te bekalken of groenbedekkers in te zaaien. Zelfs indien nog snijrogge of Italiaans raaigras ingezaaid wordt is de netto opbrengst aan organische stof vrij beperkt. Het project focust dan ook op het ontwikkelen van verschillende vruchtwisselingsscenario’s waarvan op een kwantitatieve wijze de financiële meerwaarde kan doorgerekend worden ten opzichte van een maïsmonocultuur, door aan een aantal effecten in de parameters zoals organische stof, pH, N-mineralisatie, bodemstructuur en vochtvoorziening, de effectieve financiële meerwaarden te koppelen.

Deze kwantificering baseert zich op verschillende datasets en voorgaande onderzoeksresultaten: gegevens Bodemkundig Dienst van België (Evolutie bodemvruchtbaarheid, langdurige proeven o.a. GFT, onderzoek naar effecten van organische stof in relatie tot de bodemstructuur, de bodemwaterhuishouding en effect op de opbrengst), gegevens langdurige vruchtwisselingsproef 2006-heden Proefhoeve HoGent-Ugent, en opvallend veel wetenschappelijke literatuurgegevens die al te zelden verder worden vertaald naar de praktijk. Op deze basis zal de financiële meerwaarde in de opbrengst als gevolg van een stijging in organische stof % of correctie in bodem-pH duidelijk worden gesteld.

Bij de ontwikkeling van vruchtwisselingsscenario’s wordt vertrokken van volgende uitgangspunten : afwisselen zomergewassen en wintergewassen, introductie wintergranen die veel betere modaliteiten toelaten om organische-stofgehalte en pH te gaan corrigeren, maximale inzet van groenbedekkers, introductie van vlinderbloemigen waar mogelijk en voldoende garanties inbouwen voor de productie van eigen voedergewassen. Voor 4 grondsoorten in Vlaanderen zullen 5 verschillende realistische en haalbare scenario’s uitgewerkt worden met hun impact op bodemvruchtbaarheidsparameters. Hierbij wordt finaal een voorlichtingstool ontwikkeld die uitgebreid zal voorgesteld worden op wintervergaderingen van het Landbouwcentrum voor voedergewassen en later kan geconsulteerd worden op de website. De tool zal ook toelaten om in de concrete situatie, in de vruchtwisseling, en eveneens ten opzichte van een maïsmonocultuur, effectief de financiële meerwaarde duidelijk te stellen van input van organische stof, van type van organische stof en van de maatregelen om de pH te corrigeren . Op deze wijze zal tevens een lacune in de voorlichting (Kostprijsraming ruwvoedergewassen) worden aangepakt. De bedoelde financiële meeropbrengsten vormen immers de hefboom bij uitstek, de eerste motivatie voor de bedrijven om in te grijpen en de zorg voor de pH en het organisch-stofgegehalte van de bodem te integreren in een normale bedrijfsvoering.

Duurtijd en partners

Dit project loop van 15 maart 2016 tot en met 14 maart 2018 en wordt uitgevoerd door volgende projectpartners:

Landbouwcentrum voor Voedergewassen, Bodemkundige Dienst, Hooibeekhoeve, Proefhoeve Bottelare HoGent-Ugent

Meer info?

Landbouwcentrum voor Voedergewassen vzw

Contactpersonen:

Ilse Vandenbroeck, ilse.vandenbroeck@provincieantwerpen.be

Gert Van de Ven, gert.vandeven@provincieantwerpen.be

www.lcvvzw.be