Rondetafels klimaat

Op deze pagina:

Rondetafel klimaat 20 juni 2016

Het wereldwijde klimaatakkoord (Parijs 2015) en de eerste Vlaamse klimaattop van 19 april 2016 geven alle sectoren en beleidsmakers een flink pak huiswerk, namelijk de uitwerking van een becijferd, ambitieus en haalbaar Vlaams Klimaatbeleidsplan 2020-2030 en de voorbereiding van de Klimaatvisie 2050. Om onder de globale temperatuurstijging van 2,0°C te blijven (en te streven naar 1,5°C), zal ook Vlaanderen een bijkomende inspanning moeten leveren om onze broeikasgasemissies terug te dringen. Dit zal inspanningen vragen van zowel de ETS-sectoren als de niet-ETS sectoren (transport, gebouwen, landbouw en visserij, …).

Om tot een breed gedragen Vlaams actieplan te komen, organiseren alle Vlaamse ministers rondetafels voor hun eigen beleidsdomeinen.

Op maandag 20 juni werd op het ILVO te Melle de 1e van 2 rondetafels klimaat - landbouw en visserij georganiseerd met een 90-tal stakeholders uit het bredere middenveld, kennisinstellingen  en betrokken administraties. 

We trachten zo haalbare en werkbare maatregelen samen te stellen, zowel op korte, middellange als lange termijn. De doelstelling is ook om  met de betrokken sectoren engagementen aan te gaan om deze in de praktijk om te zetten. De resultaten van de verschillende rondetafels worden samengebracht  op de tweede Vlaamse klimaattop in het najaar van 2016 en zullen leiden tot een gedragen Vlaams klimaatpact.

Er wordt niet enkel naar de primaire sector gekeken. Er zijn mogelijkheden over de ganse keten, zowel aan toeleverings- (landbouwuitrusting, stallen, serres, …) als aan afzetzijde (handel, verwerking). De klimaatuitdaging biedt de landbouwketen ook opportuniteiten om nieuwe accenten te leggen, zoals aanpassing van voedingsgewoonten, meer aandacht voor regionale producten, de ontwikkeling van de bio-economie en het sluiten van grondstofkringlopen in het kader van de circulaire economie.

Op het vlak van klimaat kampen de domeinen landbouw en visserij met een aantal specifieke uitdagingen. Zo worden naast energetische emissies ook broeikasgassen als methaan en lachgas ten gevolge van complexe biologische processen, uitgestoten. Ook is er de evenwichtsoefening om op economisch en milieuvlak het Gemeenschappelijk Landbouw- en Visserijbeleid te integreren met de Europese klimaatdoelstellingen. Het wordt een zaak om klimaat- en milieuvriendelijke landbouw te combineren met een economisch stabiele en betaalbare voedsel- en biomassavoorziening.

De 1e rondetafel van 20 juni werd geopend door onze minister van Omgeving, Landbouw en Natuur Joke Schauvliege. De voormiddag bestond verder uit een informatief gedeelte waarbij werd ingegaan  op de broeikasgasemissies in de landbouw en visserij (Departement Landbouw en Visserij), de klimaatboekhouding en de berekeningsmethodiek (Vlaamse Milieu Maatschappij) en het klimaatgerelateerd onderzoek met betrekking tot de sector in Vlaanderen (ILVO).

Na interessante  getuigenissen van een aantal voorlopers werd in het namiddaggedeelte een eerste discussieronde gehouden in 3 parallelle debatsessies (1) dierlijke productie, stal- en mestbeheer, (2) plantaardige productie, bodem- en nutriëntenbeheer en (3) energiegebruik in de landbouw en visserij waarbij de zoektocht werd ingezet naar haalbare en werkbare maatregelen. De uitkomst van deze 1e ronde zal nu verder geëvalueerd worden om samen met de andere sectoren te komen tot een werkbaar en gedragen klimaatplan voor Vlaanderen.  

Presentatie “Broeikasgasemissies door de Vlaamse landbouw- en visserijsector: cijfers en beleid” door het  Departement Landbouw en visserij

broeikasgasemissies_door_de_vlaamse_landbouw-_en_visserijsector_cijfers_en_beleid.pdf

In deze presentatie wordt ingegaan op de stand van zaken rond klimaatdoelstellingen binnen de Europese Unie en binnen Vlaanderen.

Europa

Het Europees klimaatbeleid wordt geregeld via 3 pijlers:

  • ETS (sectoren die onder emissiehandelssysteem vallen)
  • niet-ETS (sectoren gebouwen, transport, niet-ETS industrie en –energie, afval, landbouw en visserij)
  • en LULUCF (landgebruik, veranderingen in landgebruik en bosbouw).

De Europese Unie is voortrekker binnen het internationale energie- en klimaatbeleid. De doelstellingen werden verder aangescherpt tot een reductie van 80% tot 95% in 2050 ten opzichte van 1990.

Tegen 2030 wil Europa 40% minder broeikasgasemissies (BKG-emissies) uitstoten. Hoe dit wordt verdeeld tussen de lidstaten, wordt in juli 2016 voorgesteld – samen met een voorstel rond de integratie van de LULUCF-pijler in het klimaatbeleid.

Vlaanderen

Vlaanderen heeft vroeger de reductiedoelstellingen gehaald, maar prognoses tonen een groeiende kloof tussen emissiedoelstellingen en reële emissies vanaf 2017. Extra inspanningen, bovenop het huidige beleid, zijn dus voor alle sectoren nodig.

Landbouw is goed voor 16% van de totale uitstoot van de niet-ETS sectoren, waarbij 78% van de uitstoot door landbouw komt van methaan- en lachgasemissies door verteringsprocessen, bodemprocessen en mestopslag.

  • Productiestijging bij melkvee leidt tot een hogere melkproductie, lagere melkveestapel en een significante daling van de methaanemissies per kg melk (-37%).
  • Bij emissies uit mestopslag zorgt vooral de varkenssector voor de methaanemissies – de rundveestapel zorgt vooral voor de lachgasemissies uit mestopslag. Ook hier is er een link tussen de daling van BKG-emissies tot 2008 en de daling van de veestapel. Wat betreft lachgasemissies uit bemesting, is de daling voornamelijk te wijten aan een strenger mestbeleid.

Verschillende voorspellingen tonen aan dat we via kostenefficiënte maatregelen, zoals vergistingsinstallaties, een nog sterkere daling kunnen realiseren (tot 38% in 2050 ten opzichte van 1990), maar dat verdergaande maatregelen nodig zijn om de Europese normen te halen.  Hier wordt al enige tijd aan gewerkt: een eerdere rondetafelconferentie, ter voorbereiding van het lopende Vlaams klimaatbeleidsplan (2013 – 2020), bracht de sector al eerder samen. Drie werkgroepen rond mitigatie, één werkgroep rond adaptatie en één terugkoppelingsmoment zorgden toen voor een reeks van mogelijke maatregelen, met aandacht voor knelpunten en beleidsaanbevelingen. Hierop bouwen we vandaag verder.

Presentatie “Berekeningsmethodiek en klimaatboekhouding” door de Vlaamse Milieumaatschappij

berekeningsmethodiek_en_klimaatboekhouding.pdf

Onder de niet-energetische bronnen van broeikasgassen onderscheiden we onder andere de veeteelt (vertering: CH4  en mestopslag: CH4 en N2O) en landbouwactiviteiten die stikstof aan de bodem toevoegen.

De methodologieën toegepast om de broeikasgasemissie door de veeteelt in Vlaanderen in te schatten zijn gebaseerd op de IPCC 2006-richtlijnen. De veeteelt is bij uitstek de belangrijkste bron van methaanemissie binnen de landbouw in Vlaanderen. Deze methodologie maakt een verdere opsplitsing naar CH4-emissie afkomstig van de verteringsprocessen (±70%) en deze van de mestopslag (±30%). De hoeveelheid geëmitteerd methaan ten gevolge van verteringsprocessen wordt in hoofdzaak bepaald door het dierenaantal, het spijsverteringssysteem en het type veevoeder. De methodologie houdt onder andere rekening met de netto energie die het dier nodig heeft om te voorzien in zijn onderhoud, groei, lactatie en dracht. Dit alles wordt gekoppeld aan de opgenomen verteerbare energie die op zijn beurt onder andere afhankelijk is van het type veevoeder. In 2014 is het aandeel van runderen in de totale methaanemissie door vertering 89%. Het type mestopslagsysteem, de bijhorende methaanconversiefactoren en het methaan producerend potentieel van de mest  zijn dan weer belangrijke inputfactoren voor de berekening van de methaanemissie uit de mestopslag. Varkens nemen hierbij 64% voor hun rekening, runderen 34%.

Voor de berekening van de N2O-emissie door de veeteelt en landbouwgronden worden twee grote bronnen in rekening gebracht. Ten eerste zijn er de N2O-emissies ten gevolge van mestopslag. Deze zijn afhankelijk van het type mestopslagsysteem en het beheer ervan. Ten tweede zijn er de N2O-emissies afkomstig van landbouwactiviteiten op gras- en akkerlandbodem. Beide bronnen kunnen verder opgesplitst worden naar directe en indirecte emissies. De directe emissie van de bodem maakt het grootste deel uit van de lachgasemissie. Onder de directe emissie zijn de belangrijkste bronnen het toedienen van kunstmest en dierlijke mest, mestproductie van grazende dieren en gewasresten die na de oogst achterblijven op het land.

In de Land Use, Land Use Change and Forestry (LULUCF) sector worden de koolstofemissies en -verwijderingen door vegetatie en de bodem berekend. Akker- en graslandbodems kennen een emissie als gevolg van de veronderstelde (lichte) daling in de koolstofvoorraad in de bodems.

Presentatie “Klimaatgerelateerd onderzoek in Vlaanderen: een overzicht” door het Instituut voor Landbouw- en visserijonderzoek

klimaatgerelateerd_onderzoek_in_vlaanderen_een_overzicht.pdf

Landbouw en klimaat zijn onlosmakelijk met elkaar verbonden. Mitigatie en adaptatie kunnen niet los van elkaar gezien worden. Dit zorgt ervoor dat we in de toekomst aan ‘climate smart agriculture’ zullen moeten doen.

Plantaardige productie, bodem- en nutriëntenbeheer

Wat plantaardige productie, bodem en nutriënten betreft is de uitstoot van lachgas uit de bodem (N2O) belangrijk. Dit kan verlaagd worden door te zorgen voor een kleinere voorraad minerale N in de bodem en een hogere stikstofbenutting. Anderzijds is er ook een kans voor mitigatie door koolstofopslag in de bodem. Dit kan verhoogd worden binnen de huidige bedrijfsvoering, bijvoorbeeld door groenbedekkers, de toepassing van compost of houtsnippers, houtkanten en grasbufferstroken. Meer vergaande maatregelen grijpen in op de bedrijfsvoering zoals het meer inschakelen van grasland of granen of het toepassen van agroforestry. Als we aan plantaardige productie denken zijn er nog een aantal belangrijke aspecten. Een eerste is het vervangen van witveen in substraten door andere materialen zoals compost en plantenvezels. Ten tweede kan ook gewerkt worden aan het verhogen van opbrengsten door veredeling zodat de milieu-impact per kg product wordt verlaagd. Ten derde zal het landbouwareaal en de beschikbare biomassa slim ingezet moeten worden in een koolstofarme bio-economie. Ten vierde kunnen we mitigatie niet los zien van adaptatie en dit zowel op veld- als op landschapsschaal.

Klimaat en de Vlaamse veehouderij

Het klimaat is een zeer complex geheel van een groot aantal processen. Ook landbouw heeft daarin een rol als biologisch systeem met als doel productie van voedsel. Het is belangrijk aandacht te hebben  voor de vele interacties tussen processen alsook met andere problematieken (PAS, water, voedselvoorziening, …).

Als we specifiek naar de veehouderij kijken zijn er ook daar belangrijke interacties binnen de processen en tussen de deelprocessen. Maatregelen die op een zeker niveau genomen worden (bv. minder of meer grazen) zullen hun effect hebben op vele andere deelprocessen (rantsoen, bemesting, teelt,…). Bovendien zijn de elementen (koolstof en stikstof) die aan de basis liggen van emissies ook betrokken bij andere processen, dus moeten we aandachtig zijn voor verschuivingen en interacties bij het vastleggen van maatregelen. Om dit te kunnen is er meer systeemdenken vereist, waarbij we verschillende expertises bijeenbrengen om een probleem te analyseren en oplossingen te formuleren en waar de sector betrokken wordt om de implementatie te garanderen. We moeten opletten dat bij het zoeken naar maatregelen de mondiale effecten van de klimaatproblematiek in acht genomen worden. Zo is bijvoorbeeld het verschuiven van de dierlijke productie naar andere regionen niet altijd een goede zaak voor het klimaat.

In een tweede deel werden enkele mogelijke pistes voor mitigatie binnen Vlaamse veehouderij overlopen. Dit werd bekeken op 3 niveaus: dier, stal en na de stal. Op basis van literatuur werd besproken dat er medium reductiepotentieel is op niveau van dier en vertering onder andere door verder optimaliseren van de productiviteit en door het sturen van de fermentatie. Daarnaast is er sterk potentieel op vlak van mestopslag en mestbeheer.

Klimaat en energie: Hoe kan landbouw bijdragen aan de doelstellingen?

Energie en klimaat, wat moet je weten?

Klimaat en klimaatboekhouding zijn twee verschillende zaken. In de klimaatboekhouding zijn enkel lokale, meetbare en rapporteerbare maatregelen opgenomen, terwijl het klimaat globale gevolgen ondervindt.
Wat energie betreft, gaat klimaat niet enkel over direct energieverbruik, maar ook het indirect energieverbruik. Het is dus er belangrijk om klimaatmaatregelen te nemen waarbij de verantwoordelijkheid niet wordt afgeschoven op stroomopwaartse schakels in de productieketen.

Daarnaast is ook hier een integrale afweging van klimaatmaatregelen nodig over de hele levenscyclus om te voorkomen dat er andere milieuproblemen worden geïntroduceerd of versterkt door enkel te focussen op broeikasgassen.

Tenslotte is een samenwerking tussen sectoren noodzakelijk, zeker met sectoren waarmee we rechtsreeks belangen delen, zoals ruimtelijke ordening (voor clustering van bedrijven en aanspreken van niet-landbouwgronden), industrie (voor een bio-gebaseerde economie in evenwicht met landbouw) en energie (voor de uitrol van een slim elektriciteitsnet).

Mogelijkheden voor broeikasgasreductie

Klimaatmaatregelen inzake energie volgen de Trias Energetica.

  1. Daarbij wordt eerst ingezet op energiebesparing, met grote kansen voor minder energiebehoeftige teelten en de mogelijkheden van precisielandbouw.
  2. Vervolgens wordt ingezet op efficiënte aanwending van energie, met een sterke noodzaak aan het clusteren van activiteiten in en buiten de landbouw om energie- en materialenstromen uit te wisselen voor een optimale benutting.
  3. Tenslotte wordt maximaal ingezet op hernieuwbare energie (HE), met een dringende nood aan de uitbouw van een slim elektriciteitsnet (smart grid) met vraagflexibiliteit en opslagcapaciteit om decentrale energieproductie maximale kansen te geven.
Hoe kunnen we broeikasgasreductie realiseren?

Een belangrijke randvoorwaarde bij de voorgestelde maatregelen blijft de economische haalbaarheid. Het beleid moet daarom duidelijke en doordachte keuzes maken op basis van de evaluatie van het totaalplaatje (i.e. alle outputs en vermeden inputs in acht genomen, en alle mogelijke milieu-impacten in acht genomen). Een andere rol is het creëren van een draagvlak voor hernieuwbare energie, het faciliteren van de adoptie van klimaatmaatregelen, en het klimaatthema opnemen in de voorlichting.

Rondetafel klimaat 3 oktober 2016

Op maandag 3 oktober 2016 werd in het Vlaams Parlement de 2e rondetafel klimaat – landbouw en visserij georganiseerd.

Op de 1e rondetafel van 20 juni 2016 werden door de stakeholders uit het bredere middenveld, kennisinstellingen en betrokken administraties alvast heel wat ideeën en mogelijkheden geformuleerd die een bijdrage kunnen leveren om de uitstoot van broeikasgassen te verminderen in de landbouw- en voedselketen.

Het potentieel van een aantal van deze mogelijke maatregelen werd onderzocht in 2 studies. De resultaten van dit onderzoek werden op deze rondetafel voorgesteld.

Daarna kwam in een panelgesprek de agrovoedingsketen aan het woord. Zowel Fedagrim, Bemefa, Boerenbond, ABS, Belgische Confederatie van de Zuivelindustrie (BCZ) en Fevia gaven in het panelgesprek aan wat zij prioritair vinden in het klimaatbeleid en hoe de landbouwsector kan bijdragen aan het klimaatbeleid. Uit het gesprek bleek dat de sector al heel wat inspanningen geleverd heeft, er heel wat waardevolle initiatieven lopen en dat de brede landbouwsector waar haalbaar inspanningen zal leveren om de uitstoot van broeikasgassen verder te verminderen.

De rondetafel werd afgesloten met een inspirerend dankwoord door onze minister van Omgeving, Landbouw en Natuur Joke Schauvliege waarbij ze iedereen oproept om samen verder in te zetten op een gedragen klimaatbeleid.

De resultaten van de 2 rondetafels zullen meegenomen worden naar de volgende Vlaamse klimaattop van 1 december 2016 en zullen leiden tot een gedragen en werkbaar Vlaams klimaatpact.

Klimaatmitigatie in landbouw
Op basis van nationale en internationale literatuur werden maatregelen opgelijst die kunnen bijdragen aan de reductie van de uitstoot van broeikasgassen in de landbouw. Een belangrijk deel van de broeikasgasemissies van de landbouw bestaat uit methaan ten gevolge van verteringsprocessen (voornamelijk bij herkauwers). Door een combinatie te maken van verschillende strategieën kan de enterische methaanemissie in intensieve melkveesystemen naar schatting gereduceerd worden met 15 tot 30% methaan per kg meetmelk. In mest ontstaan methaan en lachgas doordat bacteriën het organisch materiaal afbreken. Het stal- en mestmanagement heeft een invloed op de vorming en de emissie van deze broeikasgassen. Hoewel de energetische emissies een relatief beperkt aandeel van 23% hebben in de totale Vlaamse landbouw broeikasgasemissies, zijn toch ook hier nog winsten te boeken. Bij het kiezen van bepaalde strategieën moet er ook altijd oog zijn voor de impact op andere broeikasgasemissies en andere milieueffecten, de financiële en praktische haalbaarheid van de maatregelen en de kosteneffectiviteit. Verder onderzoek is nodig voor de kwantificering van de effecten van diverse maatregelen en technieken in Vlaanderen.

Koolstofopslag onder grasland en andere bodembeheersmaatregelen
In opdracht van Boerenbond voert het ILVO een literatuurstudie uit naar koolstofopslag onder grasland en naar het effect van verschillende bodembeheersmaatregelen op de koolstofopbouw onder akkerland in Vlaanderen. De eerste resultaten maken duidelijk dat grasland als een koolstofsink acteert en dat de koolstofopslag onder grasland kan verhoogd worden door een goed beheer (vb. vermijden van te intensief maaien of te intensief begrazen). Het omzetten van grasland naar akkerland gaat dan weer gepaard met een duidelijk verlies aan koolstof (source). Maatregelen zoals wisselbouw (afwisselend telen van gras en akerbouwgewassen), toepassen van compost en/of stalmest, stro inwerken en het maximaal inzetten van groenbedekkers kunnen bijdragen aan het verhogen (of tenminste op peil houden) van het koolstofgehalte in de bodem. In het kader van deze studie zal tevens een inschatting gemaakt worden van het koolstofopslagpotentieel van de Vlaamse landbouwbodems en van de huidige koolstofstocks onder grasland.