Staatssteunregelgeving

Concurrentiebeleid is een communautaire bevoegdheid. Die bevoegdheid ligt vervat in het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, dat hieronder kort wordt besproken. In dit deel kom je verder te weten welke Europese regelgeving geldt voor staatssteun in de landbouwsector. De belangrijkste regelgeving wordt kort besproken en er wordt een gestructureerd overzicht gegeven van alle toepasselijke verordeningen.

Op deze pagina:

De beoordeling van de Commissie verloopt in twee stappen.

In eerste instantie kijkt ze of de maatregel effectief staatssteun bevat, volgens de redenering die in het voorgaande deel is beschreven. Wanneer blijkt dat het wel degelijk over staatssteun gaat, controleert de Commissie of die maatregel verenigbaar is met de gemeenschappelijke markt. Wat dat precies inhoudt, proberen we hieronder te verduidelijken. Ook hier is het, naast het Verdrag zelf, de Commissie die de concrete betekenis van die formulering mag invullen.

A. Het Verdrag

De basisprincipes van staatssteun liggen vervat in de artikels 107, 108 en 109 van Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie. Wie verder leest dan artikel 107,1 EG zal zien dat niet alle staatssteun is verboden. Artikel 107, lid 2, somt een aantal maatregelen op die ab initio verenigbaar worden geacht met de gemeenschappelijke markt. Hieronder vallen o.a. sociale maatregelen voor individuele verbruikers en steunmaatregelen tot herstel van schade veroorzaakt door natuurrampen. In dat geval bedraagt de maximaal toegestane steun dan ook 100% van de materiële schade.

Lid 3 van hetzelfde artikel stelt een aantal categorieën vast van maatregelen die als verenigbaar met de gemeenschappelijke markt kunnen worden beschouwd. Het werkwoord ‘kunnen’ wijst op de exclusieve bevoegdheid van de Commissie op dit vlak.

Steun ter bevordering van (a) de economische ontwikkeling van achtergestelde gebieden of gebieden met hoge werkloosheidscijfers, komt zeker in aanmerking. Dit betreft de Nuts II-gebieden met een BBP/capita van minder dan 75% van het EU-gemiddelde. Dergelijke gebieden bestaan echter niet in Vlaanderen. De tweede uitzondering (b) betreft steun ter bevordering van ‘een belangrijk project van gemeenschappelijk Europees belang’. Wat onder dat laatste moet worden verstaan is niet altijd even duidelijk. Doorgaans gaat het om projecten die deel uitmaken van een programma dat tegemoet komt aan gemeenschappelijke problemen bijvoorbeeld de Lissabon-agenda, klimaatsopwarming, enz. Van de uitzondering (c) ‘maatregelen om de ontwikkeling van regionale economieën of bepaalde vormen van economische bedrijvigheid te versterken’ wordt echter het vaakst gebruik gemaakt. Het gaat hier in principe over maatregelen ten gunste van een gebied dat of sector die benadeeld is ten opzichte van het nationale gemiddelde. Volgens het Verdrag kunnen die als verenigbaar met de gemeenschappelijke markt worden beschouwd ‘voor zover ze de voorwaarden waaronder het handelsverkeer plaatsvindt niet zodanig veranderen dat het gemeenschappelijke belang wordt geschaad’. Het is aan de Lidstaat om dit effectief aan te tonen.

Om voor goedkeuring in aanmerking te komen, moeten steunmaatregelen dus in de eerste plaats structureel bijdragen tot de ontwikkeling van bepaalde sectoren/economische activiteiten of regio’s. Concreet moeten de maatregelen een stimulerend effect inhouden voor de sector én een tegenprestatie vereisen. Steun die er enkel op gericht is de financiële positie van de begunstigde te verbeteren, wordt beschouwd als (verboden) exploitatiesteun.

Daarnaast mogen de maatregelen geen negatief effect hebben op het ‘gemeenschappelijk belang’. Dat komt erop neer dat landbouwsteun verenigbaar moet zijn met het gemeenschappelijk landbouwbeleid (GLB) en het plattelandsontwikkelingsbeleid van de Gemeenschap. Zo zal steun ter compensatie van kosten voor speciale kwaliteitscontroles normaal gezien worden aanvaard, gezien kwaliteit een belangrijke betekenis heeft in het Europese landbouwbeleid. Er mogen geen nieuwe problemen ontstaan noch mogen bestaande problemen worden afgewenteld op een ander Lidstaat. Bij de uitwerking van steunmaatregelen moet bovendien ook rekening worden gehouden met de impact op het milieu.

Er zijn verschillende rechtsbronnen die Lidstaten en ondernemingen duidelijk maken welke steun bij de Europese Commissie voor goedkeuring in aanmerking komt. Een uitgebreid overzicht vind je onder  overzicht Europese regelgeving. De laatste jaren is de Commissie de staatssteunregelgeving voor alle sectoren systematisch aan het reviseren. Deze herziening moet worden gezien binnen de context van de Lissabonagenda-‘minder en beter gerichte staatssteun’-enerzijds en de Europese vereenvoudigingsdoelstellingen anderzijds. Ook werd gestreefd naar een groter evenwicht met het nieuwe plattelandsbeleid. Het resultaat is een beleid strenger wordt, gekoppeld aan een aantal administratieve vereenvoudigingen.

B. Belangrijkste regelgeving

Het EU-beleid op het vlak van landbouw is gericht op een concurrentiële landbouwproductie in een multifunctionele en bloeiende rurale omgeving. Er is dan ook speciale aandacht voor kwaliteit, milieu en landelijke ontwikkeling. De  Communautaire richtsnoeren voor staatssteun in de landbouw- en de bosbouwsector vormen het raamwerk waarbinnen steun is toegestaan. In feite zijn Richtsnoeren geen echte wetgeving in de strikte zin van het woord, maar geven ze eerder inzicht in de huidige praktijk en interpretatie van de Europese Commissie. De Richtsnoeren gelden voor de productie, verwerking en afzet van landbouwproducten en voor de bosbouw. Voor de visserij- en aquacultuursector bestaan afzonderlijke richtsnoeren.

In de periode 2012-2014 werden de Richtsnoeren herzien en de huidige Richtsnoeren zijn van toepassing voor de periode 2014-2020. De steunmogelijkheden voor de verwerkings-en afzetsector, zijn opnieuw opgenomen onder de landbouwrichtsnoeren. De tekst volgt grotendeels de opbouw van de vrijstellingsverordening. Verder is er een nieuw hoofdstuk voor bosbouw en een hoofdstuk voor de aanmelding van de nationale cofinanciering bij het plattelandsbeleid voor alle maatregelen die niet onmiddellijk gelinkt zijn met de landbouwproductie. Daarnaast is een aanzienlijk deel voorbehouden voor risico- en crisisbeheer. De opbouw van dit document weerspiegelt de algemene houding van de Commissie ten aanzien van steun aan de landbouwsector: weg van de productiegebonden steun naar meer begeleidende maatregelen die de Europese landbouw in staat moet stellen onder strenge kwaliteits- en milieuvoorwaarden competitief te blijven.

Voor het eigenlijke beleid wordt erg vaak verwezen naar de vrijstellingsverordeningen 702/2014 en de plattelandsverordening 1305/2013. De vrijstellingsverordeningwordt verder uitgebouwd als de basis van het staatssteunbeleid. Dit biedt lidstaten en ondernemingen meer rechtszekerheid en in veel gevallen een vlottere procedure, hoewel de voorwaarden waarbinnen maatregelen kunnen worden opgemaakt, ook beperkt zijn. De overheid wordt als het ware aangemoedigd haar maatregelen zoveel mogelijk onder deze verordeningen te laten vallen. Toch leent de context van de maatregel zich niet steeds om aan de strenge criteria te voldoen; de richtsnoeren bieden dan extra mogelijkheden op voorwaarde van een grondige controle door de Commissie.

Naast de echt inhoudelijke vereisten, moet de steunmaatregel steeds een stimulerend effect kunnen aantonen. Steun mag dus enkel worden gegeven voor het aanmoedigen van praktijken die de landbouwer niet zou toepassen zonder de steun. Het retroactief verlenen van steun is dus uitgesloten.

Een andere basisvoorwaarde is de stand-still clausule. Wanneer een steunmaatregel wordt uitgewerkt, moet die eerst zijn goedgekeurd alvorens de landbouwer ervan op de hoogte kan worden gesteld. Enkel die uitgaven die plaatsvinden nadat de landbouwer een subsidie-aanvraag heeft ingediend, mogen in aanmerking worden genomen.

De vrijstellingsverordening 702/2014 geldt voor kmo’s actief in de primaire productie, verwerking, afzet, onderzoek en bosbouw en stelt steun die voldoet aan bepaalde voorwaarden vrij van aanmelding. Deze verordening is uitgebreider dan de vorige vrijstellingsverordening (nr. 1857/2006) en omvat o.a. volgende grote categorieën:

  • steun voor kmo’s die actief zijn in de primaire landbouwproductie, de verwerking van landbouwproducten en de afzet van landbouwproducten
  • steun voor investeringen voor de instandhouding van cultureel en natuurlijk erfgoed op landbouwbedrijven
  • steun voor het herstel van schade als gevolg van natuurrampen in de landbouwsector
  • steun voor onderzoek en ontwikkeling in de landbouw en de bosbouwsector
  • steun voor de bosbouw
  • steun voor kmo’s in plattelandsgebieden die uit het elfpo wordt gecofinancierd of in de vorm van aanvullende nationale financiering bij dergelijke gecofinancierde maatregelen wordt toegekend

Ook de Algemene groepsvrijstellingsverordening 800/2008 is in juni 2014 vervangen door een nieuwe versie 651/2014. Deze is binnen de landbouwsector weinig van toepassing, behalve voor zaken die in de landbouwvrijstellingsverordening niet aan bod komen, zoals bijvoorbeeld steun voor kwetsbare en gehandicapte werknemers.
                       

C. Overzicht voornaamste Europese Rege lgeving

Ver. (EG) Nr. 702/2014 van de Commissie van 25 juni2014 waarbij bepaalde categorieën steun in de landbouw- en de bosbouwsector en in plattelandsgebieden op grond van artikelen 107 en 108 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie met de interne markt verenigbaar worden verklaard. (PB L 193 van 1.7.2014)

Ver. (EG) Nr. 1408/2013 van de Commissie van 18 december 2013 betreffende de toepassing van de artikelen 107 en 108 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie op de minimissteun in de landbouwsector (PB L 352 van 18.12.2013)

Richtsnoeren van de Europese Unie voor staatssteun in de landbouw- en de bosbouwsector en in plattelandsgebieden 2014-2020 (PB C 204 van 1.7.2014)

Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, vnl. art. 107-109 EG (PB C 326 van 26.10.2012)

Ver. (EG) Nr. 1184/2006 van de Raad van 24 juli 2006 inzake de toepassing van bepaalde regels betreffende de mededinging op de voortbrenging van en de handel in landbouwproducten (PB L 214 van 4.8.2006)

Ver. (EG) Nr. 659/99 van de Raad van 22 maart 1999 tot vaststelling van nadere bepalingen voor de toepassing van artikel 93 van het EG-Verdrag (PB L 83 van 27.3.1999)

Ver. (EG) Nr. 794/2004 van de Commissie van 21 april 2004 tot uitvoering van Verordening (EG) nr. 659/1999 van de Raad tot vaststelling van nadere bepalingen voor de toepassing van artikel 93 van het EG-Verdrag (PB L 140 van 30.4.2004)

Ver. (EG) Nr. 1935/2006 van de Commissie van 20 december 2006 houdende wijziging van Verordening (EG) nr. 794/2004 tot uitvoering van Verordening (EG) nr. 659/1999 van de Raad tot vaststelling van nadere bepalingen voor de toepassing van artikel 93 van het EG-Verdrag (PB L 407 van 30.12.2006)

Ver. (EG) Nr. 994/98 van de Raad van 7 mei 1998 betreffende de toepassing van de artikelen 92 en 93 van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap op bepaalde soorten van horizontale steunmaatregelen (PB L 142 van 14.5.1998)

Richtsnoeren voor reddings- en herstructureringssteun aan niet-financiële ondernemingen in moeilijkheden (PB C 249 van 31.7.2014)

Richtsnoeren inzake regionale steunmaatregelen 2014-2020 (PB C 209 van 23.7.2013)

Richtsnoeren staatssteun ten behoeve van milieubescherming en energie 2014-2020 (PB C 200 van 28.6.2014)

Kaderregeling betreffende staatssteun voor onderzoek, ontwikkeling en innovatie (PB C 198 van 27.6.2014)

Mededeling van de Commissie betreffende de toepassing van de artikelen 87 en 88 van het EG-Verdrag op staatssteun in de vorm van garanties (PB C 155 van 20.06.2008)

Mededeling van de Commissie betreffende de toepassing van de staatssteunregels van de Europese Unie op voor het verrichten van diensten van algemeen economisch belang verleende compensatie (PB C 8 van 11.1.2012)