Staartbijtrisico’s

Veetournee: staartbijtrisico'sTijdens de afgelopen edities van de Veetournee in Melle en Geel stonden er in het namiddaggedeelte verschillende infosessies gepland. De komende weken en maanden verschijnen hierover regelmatig artikels in de vakpers.

Op deze pagina: 

Staartbijtrisico’s: waardevolle indicatoren om je bedrijfsmanagement te optimaliseren

De Europese Commissie wil het aandeel gecoupeerde staarten bij biggen, in de lidstaten waar nog in grote mate wordt gecoupeerd, de komende jaren gevoelig zien dalen. Hiervoor zullen varkenshouders risicobeoordelingen moeten uitvoeren waarin volgende thema’s aan bod komen: a) het beschikbare afleidingsmateriaal, b) de hygiëne, c) het thermisch comfort en de luchtkwaliteit, d) de gezondheidstoestand, e) de competitie om voedsel en ruimte en f) de voeding. Op basis van dergelijke beoordeling moet je als varkenshouder wijzigingen overwegen om je bedrijf voor te bereiden op het stoppen met couperen.

Stoppen met couperen is omwille van het multifactorieel karakter van staartbijten een moeilijke uitdaging. Experten raden aan op beperkte schaal te starten en ervaring op te bouwen met betrekking tot de mix van maatregelen die op jouw bedrijf werken. Niet alleen in anticipatie op de opgevoerde druk door de Europese Commissie, maar ook omdat het alleen met een goed management lukt om succesvol varkens met intacte staarten te houden. Het omgekeerde geldt niet: een staartbijtprobleem is geen indicatie van een slecht management!  De risicobeoordeling kan dus ook gebruikt worden als een instrument om samen met je bedrijfsadviseurs het management te evalueren en te verbeteren.

Tijdens de sessie “Staartbijtrisico’s: waardevolle indicatoren om je bedrijfsmanagement te optimaliseren” stelden Suzy Van Gansbeke van het Departement Landbouw en Visserij en Sarah De Smet van het Varkensloket een door de WUR ontwikkelde risicoanalyse voor die onder de noemer “Starten met Staarten” licht werd aangepast voor gebruik in Vlaanderen. Deze risicoanalyse kan worden beschouwd als concrete invulling van de door de Europese Commissie gevraagde stap in de goede richting. De resultaten geven een idee van de mate waarin een bedrijf klaar is om (enkele) tomen met intacte staarten te houden en ervaring op te bouwen.

De risicoanalyse bestaat in drie versies (Zuigende biggen, Gespeende biggen, Vleesvarkens en Opfokgeiten) en is opgebouwd rond volgende thema’s: Hokverrijking, Voeder en water, Ruimte, Thermisch comfort en luchtkwaliteit, Hygiëne, Diergezondheid en Diergebonden indicatoren.

Voor elke deelvraag zijn telkens drie niveaus te onderscheiden: de gewenste toestand met het minste (of geen) risico op staartbijtgedrag (groen), de te vermijden toestand met het hoogste risico op staartbijtgedrag (rood) en een tussenniveau (oranje), dat overeenkomt met een intermediair risico. De meeste gangbare bedrijven zullen bij een eerste evaluatie onvermijdelijk meerdere oranje en rode scores noteren.

In de volgende tekst wordt ingegaan op de achtergrond van de aspecten hokverrijking, thermisch comfort en luchtkwaliteit en ruimte.

Hokverrijking

HokverrijkingVarkens zijn van nature verkenners. Als ze te weinig stimulansen uit hun (prikkelarme) omgeving krijgen, richten ze hun aandacht op hun soortgenoten. Dit kan zich manifesteren in oor- en staartbijten. Verrijkingsmateriaal heeft dus als doel de omgeving interessanter te maken voor de varkens.

Ideaal verrijkingsmateriaal voldoet aan volgende 9 criteria:

  1. Veilig, dat wil zeggen zonder risico voor de voedselveiligheid of voor de gezondheid van de dieren zelf.
  2. Eetbaar, dat wil zeggen met enige nutritionele waarde. Het voeder zelf wordt niet als verrijking beschouwd!
  3. Kauwbaar, dat wil zeggen dat de varkens erin moeten kunnen bijten of op kauwen.
  4. Onderzoekbaar = wroetbaar, dat wil zeggen dat de varkens er in kunnen wroeten of scharrelen.
  5. Manipuleerbaar = afbreekbaar, dat wil zeggen dat de varkens het kunnen verplaatsen en/of vervormen/van structuur veranderen.
  6. Interessant = vaak vernieuwd, dat wil zeggen minimaal wekelijks te vervangen, te verversen of aan te vullen.
  7. Bereikbaar, dat wil zeggen hoogstens op snuithoogte.
  8. Beschikbaar, dat wil zeggen geschikt voor gelijktijdig gebruik door meerdere dieren.
  9. Hygiënisch, dat wil zeggen niet overmatig bevuild met mest of andere bevuiling.

Vaak zal een combinatie van verschillende materialen nodig zijn om aan alle criteria te voldoen. Het is bovendien wenselijk om iets achter de hand te houden voor het geval het gedrag van de varkens wijst op een stressgerelateerd probleem. Sowieso geldt dat aan hoe meer criteria de combinatie van verrijkingsmaterialen voldoet, hoe beter men voorbereid is op het niet meer couperen.

fig 1: 9 criteria optimale hokverrijking: veilig, eetbaar, kauwbaar wroetbaar afbreekbaar interessant bereikbaar beschikbaar hygiënisch

Figuur 1 De negen criteria van de optimale hokverrijking (van boven tot onder en van links naar rechts): veilig, eetbaar, kauwbaar, wroetbaar, afbreekbaar, interessant, bereikbaar, beschikbaar en hygiënisch (Bron: Departement Landbouw en Visserij)

De vrij recente (digitaal vrij beschikbare) Nederlandse brochure “Hokverrijking voor varkens” van de WUR beschrijft zeer bevattelijk en in detail de aandachtspunten rond hokverrijking en de voordelen ervan.

In de risicoanalyse scoor je optimaal (voor alle aspecten groen) als:

  • de continu beschikbare hokverrijking zowel eetbaar, kauwbaar, onderzoekbaar als manipuleerbaar is
  • het % varkens dat gelijktijdig kan exploreren/spelen met de continu beschikbare hokverrijking meer dan 60% bedraagt
  • de continu beschikbare hokverrijking (geheel of uit meer dan de helft) uit natuurlijke materialen bestaat
  • alle continu beschikbare hokverrijking goed bereikbaar is voor alle varkens (maximale hoogte is hoogte wroetschijf bij normaal lopen)
  • de continu beschikbare hokverrijking (geheel of deels) minimaal 1 keer per week aangevuld of vervangen wordt door hetzelfde of een ander materiaal
  • de continu aanwezige hokverrijking zich niet geheel of deels boven of op de daadwerkelijke lig- of mestplaats van de dieren bevindt
  • er naast de continu aanwezige hokverrijking ook tijdsgelimiteerde hokverrijking gedurende de gehele opfokperiode aangeboden wordt (bv. één of meerdere malen per dag een beperkte hoeveelheid luzerne of stro)
  • de tijdsgelimiteerde hokverrijking aan minimum 4 van de 6 onderstaande criteria voldoet: minimaal 60 minuten per etmaal aanwezig/ 60% van de dieren kunnen gelijktijdig exploreren of spelen/ eetbaar/ kauwbaar/ onderzoekbaar/ manipuleerbaar.

Thermisch comfort en luchtkwaliteit

Thermisch comfort en luchtkwaliteit

Varkens hebben het graag warm, zeker als ze jong zijn. Vooral tocht en koude lucht die rechtstreeks op de dieren valt, zouden bijdragen tot meer staartbijten. Een stabiel stalklimaat met een temperatuur binnen de comfortzone en zonder tocht, helpt het probleem te voorkomen.

Overventileren is te vermijden, maar ook te weinig ventileren met een slecht stalklimaat (een te hoge concentratie aan stalgassen en een te hoge luchtvochtigheid) als gevolg, is nefast. Vooral de nazomer/herfst is een periode waarin meer staartbijten lijkt voor te komen. Ook te droge lucht is te vermijden.

In de risicoanalyse scoor je optimaal (voor alle aspecten groen) als:

  • tocht ter hoogte van de varkens niet kan voorkomen
  • de ammoniakconcentratie bij de dieren  <20 ppm bedraagt
  • de koolstofdioxideconcentratie bij de dieren <0,25 vol. % (2500 ppm) bedraagt
  • de relatieve luchtvochtigheid bij de dieren zich tussen 50 en 70% situeert
  • de ruimtetemperatuur in de afdeling (vlak boven de varkens in de ligruimte) binnen volgende reikwijdte gesitueerd is.
Overzicht van thermisch comfort en luchtkwaliteit bij varkens
Diercategorie Periode

Vloer

Temperatuursreikwijdte (C°)
gespeende biggen 1 w na spenen volrooster 25-30
gespeende biggen 1 w na spenen halfrooster met vloerverwarming 24-26
gespeende biggen einde opfok volrooster 23-28
gespeende biggen einde opfok halfrooster met vloerverwarming 21-25
vleesvarkens 4-5 w na opleg niet van toepassing 18-23
vleesvarkens 11-12 w na opleg niet van toepassing 16-21

Ruimte

RuimteVarkens hebben voldoende ruimte nodig om te rusten en slapen, te mesten, te eten en drinken, te spelen en exploreren en om met elkaar te interageren. Meer ruimte doet binnen bepaalde grenzen de productiviteit verhogen als gevolg van hogere voederopname en hogere groei. Rendabiliteit wordt echter door meerdere factoren bepaald, bv. investering per dierplaats en heterogeniteit van de groei. Optimale bezetting op het vlak van rendabiliteit ligt daardoor gewoonlijk hoger dan optimale bezetting in functie van groei. Te hoge bezetting beïnvloedt echter niet alleen groei maar ook het welzijn en de kans op ziekte. De huidige wettelijke minimale normen uitgedrukt in m²/dier zijn nog steeds gebaseerd op onderzoek uit de jaren ’80 en worden beschouwd als absolute ondergrens, zeker voor zwaardere dieren. Het risico op staartbijten is bij bezettingen rond of zelfs tot 30% beter dan de wettelijke norm het grootst.

In de risicoanalyse scoor je optimaal (voor alle aspecten groen) als:

  • het effectieve leefoppervlak (ruimte die voederbakken in beslag nemen niet meegeteld) en het oppervlak dichte vloer (< 5% openingen) minstens volgende waarden bedraagt: 
Minimale waarden effectief leefoppervlak en oppervlak dichte vloer (< 5% openingen)
Diercategorie Totale leefoppervlak Oppervlak dichte vloer
niet gespeende biggen 7 m²/kraamhok 1,1 m² biggennest
gespeende biggen 0,6 m²/dier 0,18 m²/dier
vleesvarkens 1,4 m²/dier niet van toepassing
  • de biggen in het kraamhok vanaf geboorte tot spenen een rondgang om de zeug kunnen maken
  • de zeug in het kraamhok maximaal 5 dagen gefixeerd is
  • de dichte ligvloer (indien aanwezig) geïsoleerd is
  • de gespeende biggen en vleesvarkens de beschikking hebben over een vluchtmogelijkheid (bv. schot in hok, buitenuitloop of plateau)
  • de gespeende biggen en vleesvarkens de ligruimte niet moeten oversteken bij het lopen tussen eet-, drink- en mestplaats.

Voeder en water

Voeder en WaterVarkens eten liefst onbeperkt en samen met andere varkens. De samenstelling en de kwaliteit van het voeder, de waterkwaliteit en de eet- en drinkplaatsen bepalen het welzijn en de prestaties van de dieren. Risicofactoren voor staartbijten zijn: te weinig of slecht bereikbare eet- en drinkplaatsen, storingen van de installaties, onvoorspelbare voederverstrekking, abrupte voederovergangen en voederbeperking. 

Op het vlak van voedersamenstelling zijn vooral het mineraalgehalte (bv. natrium), vezelgehalte en eiwit- en aminozuurgehalte van belang. Vooral tekorten zouden het risico op staartbijten doen toenemen. Slechte drinkwaterkwaliteit en niet-permanente beschikbaarheid van water zouden ongunstig zijn.

In de risicoanalyse scoor je optimaal (voor alle aspecten groen) als:

  • het percentage ruwe celstof meer dan 5% (vleesvarkens en opfokzeugen) of 6% (gespeende biggen) bedraagt
  • het gehalte aan Natrium (zout) meer dan 1,7 g/kg bedraagt
  • in de eerste dagen na spenen hetzelfde voeder verstrekt wordt als in de laatste week vóór het spenen
  • uit wateranalyse blijkt dat het drinkwater (bij het drinkpunt van de dieren) voldoet aan de chemische en bacteriologische richtwaarden die door CERTUS gesteld worden t.a.v. gezond en veilig drinkwater
  • er maximaal 10 vleesvarkens/opfokzeugen/gespeende biggen per drinkplaats worden gehouden
  • het mogelijk is dat een varken alleen water kan drinken (zonder vermenging met voeder)
  • voeder en water goed bereikbaar zijn zowel voor de kleinste varkens bij opleg als voor de grootste varkens vlak voor afleveren
  • de nippelopbrengst minimaal 800 ml/minuut) (vleesvarkens en opfokzeugen), 500 ml/minuut (gespeende biggen) of 400 ml/minuut (zuigende biggen) bedraagt (5 nippels meten en laagste hoeveelheid telt)
  • bij niet gelijktijdig eten (er zijn minder eetplaatsen dan dierplaatsen) maximaal 8 varkens per eetplaats (min 18 cm breed bij gespeende biggen en min 35 cm breed bij vleesvarkens/opfokzeugen) zijn
  • bij niet gelijktijdig eten er onbeperkt gevoederd wordt (er is 24u per dag voeder ter beschikking)
  • bij niet gelijktijdig eten en bij meerdere voederbakken per hok de voederbakken minder dan 3 m van elkaar staan
  • bij niet gelijktijdig eten en onbeperkte voedering het niet wekelijks voorkomt dat varkens langer dan een uur geen voeder ter beschikking hebben
  • bij meerdere malen per dag gelijktijdig eten (1 eetplaats per dierplaats, bv. aan een lange trog) er minimaal 18 cm (biggen) of 35 cm (vleesvarkens en opfokzeugen) eetbreedte per dier is
  • bij gelijktijdig eten meer dan tweemaal (vleesvarkens en opfokzeugen) of vijfmaal (gespeende biggen) per dag gevoederd wordt.

Drinknippels zijn bij voorkeur op schouderhoogte (horizontaal) of 20% boven schouderhoogte (45%) gepositioneerd

Figuur 1 Drinknippels zijn bij voorkeur op schouderhoogte (horizontaal) of 20% boven schouderhoogte (45%) gepositioneerd (bron: Departement Landbouw en Visserij)

Om risico staartbijten te verkleinen, voorzie minimaal 1 voederplaats per 8 dieren (minimaal 18 cm voor gespeende biggen en minimaal 35 cm voor vleesvarkens/opfokzeugen

Figuur 2 Om het risico op staartbijten te verkleinen, voorzie je minimaal 1 voederplaats per 8 dieren (minimaal 18 cm voor gespeende biggen en minimaal 35 cm voor vleesvarkens/opfokzeugen) (bron: Departement Landbouw en Visserij)

Hygiëne en gezondheid

Hygiëne DiergezondheidVarkens willen zich goed voelen. Dat wil zeggen dat ze beschermd moeten worden tegen hoge ziektedruk en over een propere omgeving moeten beschikken. Varkens die een groeiachterstand hebben opgelopen als gevolg van ziekte of onvoldoende toegang tot voeder en/of water, zullen eerder tot bijten overgaan. Hogere sterfte na spenen gaat gepaard met hoger risico op staartbijten. Ook ademhalingsproblemen en de aanwezigheid van parasieten zijn geassocieerd met risico op staartbijten.   

In de risicoanalyse scoor je optimaal (voor alle aspecten groen) als:

  • het bedrijf in de best scorende klasse valt qua antibioticagebruik (bv. groen volgens AB-register)
  • het uitvalspercentage in de laatste 12 maanden minder dan 3% (vleesvarkens), 1,5% (gespeende biggen) of 10% (zuigende biggen) bedraagt
  • de afdeling na elke ronde wordt ingeweekt met inweekmiddel, gereinigd en gedesinfecteerd
  • het percentage gemengde tomen in de kraamafdeling minder dan 50% bedraagt
  • de biggen pas na minstens 35 dagen gespeend worden
  • de biggen van verschillende tomen na het spenen niet gemengd worden
  • het voeder en water gemiddeld over alle hokken op minder dan één eet- of drinkpunt bevuild is met mest, urine of zichtbare schimmels
  • de hokverrijking proper is, d.w.z. dat het percentage oppervlakte materiaal dat gemiddeld over alle hokken met mest/urine/stof/zichtbare schimmels bevuild is minder dan 10% bedraagt
  • het gemiddelde percentage van de dichte vloer (indien aanwezig) dat bevuild is met natte mest en urine minder dan 10% bedraagt
  • bij het betreden van de stal gewisseld wordt van (propere) laarzen en overall en de handen gewassen worden.
  • geen sprake is van vliegenoverlast (meer dan 15 vliegen op een varken).

Diergebonden indicatoren

Varkens laten zelf zien hoe het met hun welzijn is gesteld. Varkens die zich goed voelen en een optimaal stressniveau ervaren, vertonen een normaal liggedrag, zijn in staat zichzelf proper te houden, hoesten of niezen nauwelijks, hebben een normale ademhalingsfrequentie, een ongeschonden huid en onbeschadigde lichaamsdelen, helder wit oogvlies, geen traansporen en een normale lichaamsconditie. Traanstrepen zouden een indicatie zijn van stress. Ze ontstaan door een donkere secretie uit een (bij de mens afwezige) klier nabij de ogen. 

In de risicoanalyse scoor je optimaal (voor alle aspecten groen) als:

  • meer dan 70% van de varkens een comfortabel liggedrag (naast elkaar in zijlig) vertoont
  • er geen aanwijzingen zijn voor luchtwegproblemen (hoesten en/of niezen en/of buikslag)
  • het lichaamsoppervlak van maximaal 10% van de varkens met meer dan 30% bevuild is met mest en urine
  • meer dan 85% van de varkens een wit hard oogvlies heeft en geen traanstreep vertoont
  • meer dan 90% van de varkens geheel onbeschadigde oren heeft of hoogstens letsels kleiner dan 2 cm of zichtbaar littekenweefsel
  • meer dan 95% van de varkens geheel onbeschadigde staarten heeft
  • meer dan 95% van de varkens een geheel onbeschadigd lichaam heeft of hoogstens letsels kleiner dan 3 cm of zichtbaar littekenweefsel
  • meer dan 95% van de zuigende biggen geheel onbeschadigde knieën heeft of hoogstens letsels kleiner dan 0,5 cm
  • meer dan 90% van de zuigende biggen een geheel onbeschadigd gezicht heeft (inclusief oren) of hoogstens letsels kleiner dan 2 cm of zichtbaar littekenweefsel
  • minder dan 10% van de varkens te mager zijn (heupbotten, ribben en ruggengraat steken uit of zijn voelbaar zonder druk uit te oefenen)
  • de gemiddelde ademhalingsfrequentie bedraagt maximaal 35 keren per minuut (vleesvarkens) of maximaal 41 keren per minuut (gespeende biggen) (bij 3 dieren uit 3 hokken meten).

Dit varken vertoont een duidelijke maar niet extreme (bruine) traanstreep (vermoedelijk stressgerelateerd), het hard oogwit zelf is mooi wit

Figuur 3 Dit varken vertoont een duidelijke maar niet extreme (bruine) traanstreep (vermoedelijk stressgerelateerd), het hard oogwit zelf is mooi wit (foto Departement Landbouw en Visserij)

Conclusie

Het uitvoeren van een risicobeoordeling voor staartbijten levert je niet alleen een voorsprong op in de evolutie die de Europese Commissie wil gerealiseerd zien met betrekking tot staartcouperen, maar het is ook een tool die je helpt bij de evaluatie van je bedrijfsmanagement. De risicoanalyse wordt binnenkort op de website www.varkensloket.be geplaatst. Wie hiervan op de hoogte wil worden gebracht, kan zich registreren op de nieuwsbrief van het Varkensloket via dezelfde website.

Suzy Van Gansbeke, Departement Landbouw en Visserij