Individuele dieropvolging bij vleesvarkens, een onbekende bron van data

Veetournee Individuele dieropvolging, een onbekende bron van dataTijdens de afgelopen edities van de Veetournee in Melle en Geel stonden er in het namiddaggedeelte verschillende infosessies gepland. De komende weken en maanden verschijnen hierover regelmatig artikels in de vakpers.

Individuele dieropvolging, een onbekende bron van data

In een namiddagsessie van de Veetournee 2019 ging Sander Palmans dieper in op het thema Individuele dieropvolging, een onbekende bron van data’. Hij is verbonden aan het Proef- en Vormingscentrum voor de Landbouw (PVL), waar hij als coördinator onderzoeks- en demonstratieprojecten uitvoert en opvolgt. PVL voerde een demonstratieproject uit rond individuele dieropvolging, dat kaderde in een oproep voor demonstratieprojecten en wordt gefinancierd door de Europese Unie en het Departement Landbouw en Visserij.

Individuele dieropvolging en -herkenning is bij een aantal diersoorten zoals rundvee en paarden eenvoudig toepasbaar. Melkvee wordt twee keer per dag gemolken, waarbij de melkveehouder de dieren telkens individueel kan bekijken. Koeien zijn op een modern bedrijf uitgerust met sensoren. Met die sensoren kan de melkveehouder per dier de tocht voorspellen, de krachtvoedergift bepalen en de dieren selecteren op basis van de behandeling die ze nodig hebben.

Voor varkens ligt dit anders. Er zijn op een varkensbedrijf veel meer dieren aanwezig. Zij worden meestal als groep bekeken en behandeld, waardoor individuele dieropvolging moeilijk is. Enkel voor zeugen worden individuele gegevens bijgehouden. Dit lukt omdat zeugen – net als melkkoeien - als individuele dieren worden beschouwd, waarbij de behandeling per dier gebeurt en waarbij de data worden gebruikt om het management van het bedrijf mee te sturen.

Waarom dan toch kiezen voor individuele dieropvolging bij varkens? De reden is hiervoor is vrij eenvoudig: meer data leidt tot beter gefundeerde beslissingen. Vandaag worden zeugen geselecteerd op basis van prestaties in de kraamstal. Toch zijn er in de volledige levensfase van een vleesvarken meer data die de selectie van een zeug mee kunnen bepalen.
Met individuele dieropvolging van vleesvarkens kan op dierniveau de dagelijkse groei en de slachtkwaliteit worden bepaald. Op hokniveau kan de voederconversie worden berekend. De belangrijkste randvoorwaarde bij dit alles is dat de extra informatie met zo weinig mogelijk extra arbeid moet verkregen worden.

In principe kan individuele dieropvolging reeds gebeuren aan de hand van de sanitelnummers. Elk sanitelnummer heeft een uniek cijfer, waardoor dierregistratie mogelijk is. Het belangrijkste praktische bezwaar tegen deze methode is de slechte leesbaarheid van de oornummers, wat niet enkel te wijten is aan bevuiling, maar ook aan de omvang en de beweeglijkheid van de dieren. Je kan dit probleem verhelpen door over te schakelen op elektronische oormerken die je vanop afstand met een reader kunt lezen. Elektronische oormerken kunnen zonder problemen gecombineerd worden met de gangbare oormerken die door DGZ of commerciële bedrijven worden verdeeld.

Biggen met een geel oormerk

Elektronische oormerken (Bron: Proef- en Vormingscentrum voor de Landbouw)

Elektronische oormerken, wat zijn dat?

Elektronische oormerken zijn uitgerust met een transponder die verwerkt zit in één deel van het oormerk. Een elektronisch oormerk kan momenteel enkel aangebracht worden naast de wettelijke verplichte identificatie. Elk varken moet dus nog steeds voorzien zijn van het beslagnummer van het bedrijf en een volgnummer voor de verschillende dieren. Dit kan op termijn in het elektronisch oormerk geïntegreerd worden, maar vandaag bestaat die mogelijkheid nog niet. Tabel 1 geeft een overzicht van de mogelijkheden van elektronische oormerken in vergelijking met klassieke oormerken.

Tabel 1: overzicht van de verschillende toepassingen van elektronische en klassieke oormerken

Soort registratie

Zonder E-ID

Met E-ID

Registratie van de vader bij het dekken

X

X

Registratie van de geboortedatum

X

X

Inlezen van de big

-

X

Registratie van de big in het slachthuis

-

X

Inlezen slachthuisgegevens in managementprogramma

-

X

Er bestaan verschillende types van elektronische oormerken, ingedeeld volgens de frequentie waarop de transponder reageert, die allen hun voor- en nadelen hebben. In tabel 2 worden de verschillende voor-en nadelen volgens type weergegeven.

Tabel 2: verschillende eigenschappen van de verschillende types elektronische oormerken

 

Kostprijs

Leesbaarheid in moeilijke omstandigheden

Meerdere varkens tegelijk lezen

Laagfrequent

0

0

---

Hoogfrequent

-

+

---

Ultrahoogfrequent

+

-

+++

Laagfrequente oormerken kosten ongeveer 75 cent, zijn goed leesbaar in moeilijke omstandigheden, maar hebben als nadeel dat maar één varken tegelijkertijd kan worden gelezen. Hoogfrequente oormerken zijn de duurste, ze kosten rond de 2 euro, maar zijn het best leesbaar door de reader. Ook met dit type kunnen geen volledige groepen tegelijkertijd worden gelezen. Dit type oormerk wordt dan ook uitsluitend gebruikt in onderzoek. De ultrahoogfrequente oormerken zijn het goedkoopst, ongeveer 45 cent, en zijn in staat om meerdere dieren tegelijkertijd te lezen. In moeilijke omstandigheden, zoals een slachthuisomgeving waar het vochtig is en veel metaal de ontvangst verstoort, kan de leesbaarheid echter beperkt zijn.

Elektronisch merken in de praktijk: zodra een big een elektronisch oormerk heeft, kunnen verschillende data gelinkt worden aan het oormerk. De data gelinkt aan het dier moeten relevant zijn, want enkel op die manier kunnen later gefundeerde beslissingen genomen worden. De evidente data die gekoppeld worden zijn: afstamming, geslacht, geboortedatum. Daarnaast kan ook de medicatie gekoppeld worden, net als het gewicht bij opzet, het hoknummer, eventueel sterfte en de reden … Kortom, alles wat zinvol is om te registreren en niet veel tijd in beslag neemt om de data te verzamelen.

Wat kunnen we er uithalen?

Op verschillende praktijkbedrijven zijn gegevens verzameld. Op elk bedrijf werden zoveel mogelijk gegevens gekoppeld aan de voorouders van de vleesvarkens. Op die manier kunnen we de impact van een specifieke vader of een specifieke moeder op de vleesvarkens bepalen. Het vleespercentage is bijvoorbeeld een eigenschap die voornamelijk aan de eindbeer wordt toegeschreven. Toch zien we op één van de praktijkbedrijven dat de invloed van de moederzeug duidelijk aanwezig is (Figuur 1). In de figuur zijn de resultaten van de nakomelingen van 47 zeugen weergegeven, waarvan telkens minimaal 4 vleesvarkens zijn geslacht. Dit lage aantal nakomelingen is te wijten aan het feit dat de registratie van de varkens in het slachthuis niet optimaal is verlopen. Dit vraagt dan ook voldoende nuancering van de resultaten. Toch geeft de figuur een mooie indicatie van hoe de verschillen binnen één specifiek praktijkbedrijf kunnen oplopen.

figuur 1 gemiddeld vleespercentage van de nakomelingen van 47 zeugen

Figuur 1: gemiddeld vleespercentage van de nakomelingen van 47 zeugen

In figuur 2 zijn vier eindberen weergegeven die op hetzelfde praktijkbedrijf zijn ingezet, en waarvan telkens minimaal twintig varkens van geboorte tot slacht werden opgevolgd. Uit de cijfers blijkt dat het verschil in dagelijkse groei gemeten in de periode 25 kg tot slacht kan oplopen tot 100 gram per dag. Met behulp van elektronische identificatie is het vrij eenvoudig om deze gegevens op een praktijkbedrijf te verzamelen en kan dan ook zeer snel de impact van een eindbeer op de bedrijfsprestaties worden bepaald.

Figuur 2: invloed van de beerkeuze op de dagelijkse groei van vleesvarkens

Figuur 2: invloed van de beerkeuze op de dagelijkse groei van vleesvarkens

Tot slot was het één van de doelstellingen van het project om nieuwe kengetallen te ontwikkelen in de zeugenhouderij. Het productiegetal houdt immers enkel rekening met het aantal biggen dat de kraamstal verlaat. Niet met de kwaliteit van de biggen op dat moment, of met hun prestaties in het vervolgtraject. Door ook de karkasgegevens van de varkens mee te nemen, kunnen kengetallen als ‘aantal kg vlees per zeug per jaar’ of ‘aantal euro’s per zeug per jaar’ worden berekend. In figuur 3 werd voor één praktijkbedrijf de berekening gemaakt. In de figuur staat het productiegetal van de zeugen uitgezet tegen het aantal euro’s dat per zeug per jaar verdiend kan worden. Deze resultaten zijn verkregen door twee volledige rondes op te volgen van een aantal zeugen. Als zeugen tijdens hun volledige levenscyclus zouden worden opgevolgd, kunnen de resultaten dus nog wat verschuiven. Uit de resultaten blijkt enerzijds dat er een duidelijke positieve correlatie is tussen het productiegetal en het aantal euro’s per zeug per jaar. Anderzijds toont het ook aan dat bepaalde zeugen kunnen afwijken van deze correlatie. De zeug aan de rode pijl scoort bijvoorbeeld vrij goed qua productiegetal, maar levert op het einde van de rit toch niet meer euro’s op. Hiermee toont het demonstratieproject dat het belangrijk is om ook naar andere eigenschappen te kijken, dan enkel het productiegetal. Daarnaast geeft het demonstratieproject ook aan dat een vooruitgang qua productiegetal nog steeds één van de leidende factoren is om tot een beter economisch resultaat te komen.

Figuur 3: invloed van het worpgetal op de financiële opbrengst van een zeug

Figuur 3: invloed van het worpgetal op de financiële opbrengst van een zeug

Opportuniteiten en knelpunten

Met behulp van elektronische oormerken is het eenvoudig om dieren individueel op te volgen en de bedrijfsresultaten te verbeteren door ruimere selectiemogelijkheden van zowel zeugen als beren. De impact opvolgen van specifieke bedrijfsingrepen is veel overzichtelijker en eenvoudiger. Het biedt ook kansen voor meerwaardecreatie, zoals het registeren en afleveren van antibioticavrij varkensvlees.

Voor het demonstratieproject echt klaar is voor de praktijk, moeten nog enkele knelpunten worden aangepakt. De detectie in het slachthuis moet verbeteren, zowel de oormerken als de hardware in de slachthuizen staan nog niet op punt. Er zal een geïntegreerde aanpak nodig zijn van oormerken en readers om beide op mekaar af te stemmen. Een laatste knelpunt is het datamanagement. Het is geen enkel probleem om met deze oormerken veel data te genereren. Het komt erop aan om door de bomen het bos nog te zien. Een goed datamanagementsysteem dat de gegevens van al die individuele vleesvarkens overzichtelijk kan weergeven en de varkenshouder handvatten kan bieden om betere resultaten te behalen, is hierbij onontbeerlijk.

Besluit

Het potentieel van individuele dieropvolging is enorm groot. Individuele dieropvolging biedt kansen naar meerwaardecreatie en is eenvoudig toepasbaar op een bedrijf. Op het vlak van de praktische toepasbaarheid moeten nog enkele stappen gezet worden om individuele dieropvolging echt van de grond te krijgen.