Op deze pagina:
- Handhaving organisch bodemmateriaal (GLMC 3)
- Minimale bodembedekking (GLMC 6)
- Gewasrotatie op bouwland (GLMC 7)
Handhaving organisch bodemmateriaal (GLMC 3)
Een goede bodemstructuur staat garant voor een bodem in goede conditie. Het organische koolstofgehalte is samen met de zuurtegraad een belangrijke indicator voor de bodemstructuur van een landbouwperceel.
Samenvattende info:
- Stoppels mogen na het oogsten niet afgebrand worden, behalve om fytosanitaire redenen.
- Minstens één geldig analyseresultaat OC en pH per schijf van 5 ha areaal landbouwgrond exclusief grasland en permanente bedekking.
- Bij een te laag OC-gehalte: advies dat bij het analyseresultaat is gevoegd, aantoonbaar volgen.
- Bij een te lage pH-waarde: bekalken en dit kunnen aantonen.
- De noden gekoppeld aan deze maatregel zijn terug te vinden in de tabel: ‘Noden volgens maatregelen’ op de webpagina 'Tabellen'.
Norm Stoppelbeheer op bouwland
Na de oogst mogen stoppels en oogstresten niet afgebrand worden. Zo kunnen deze bijdragen tot de opbouw van organische stof in de bodem. Van dit verbod kan enkel afgeweken worden wanneer het afbranden opgelegd wordt vanuit fytosanitair oogpunt.
Norm Aantal analyseresultaten C en pH
De bodemvruchtbaarheid en de bodemstructuur zijn essentiële voorwaarden voor een bodem in goede conditie. Een goede bodemstructuur garandeert een goede ontwikkeling van het wortelstelsel. Dit is belangrijk voor de begingroei van het gewas. Van een goede start profiteert het gewas tijdens de rest van zijn ontwikkeling. Een goed ontwikkeld wortelgestel kan de aangeboden voedingsstoffen optimaal benutten zodat de mestgift verminderd kan worden.
Aangezien de zuurtegraad (pH) en het gehalte aan organische koolstof (OC) in belangrijke mate de bodemstructuur beïnvloeden en perceelsgebonden zijn, zijn zij een geschikte indicator hiervoor. Een regelmatige representatieve grondontleding moet u dan ook de noodzakelijke kennis over de bodemvruchtbaarheid en de bodemstructuur verschaffen.
Om die reden moet u de zuurtegraad en het gehalte aan organische koolstof van een aantal van uw percelen, die geen grasland zijn of die geen permanente bedekking hebben, laten bepalen door een erkend laboratorium. U moet de bijhorende analyseresultaten, verkregen via gestandaardiseerde staalname- en analysemethoden, kunnen voorleggen. Bovendien zorgt u over de jaren heen dat de ontleding gebeurt voor alle percelen van uw bedrijf door middel van een rotatiesysteem.
Elk analyseresultaat is vijf jaar geldig. Wanneer het organische koolstofgehalte onder de limietwaarde/actiegrens ligt, moet u op dat perceel voor de komende vijf jaar ieder jaar minstens de minimale dosis effectieve organische koolstof toedienen zoals beschreven in het analyseresultaat dat zich baseert op de code van goede praktijk bodembescherming. In het analyseresultaat staat dit advies voor het organische koolstofgehalte gerapporteerd onder de vorm van een minimale jaarlijkse aanbreng van effectieve organische koolstof (kg C/ha). U moet zelf jaarlijks bijhouden en kunnen aantonen hoe u dit advies op het betrokken perceel heeft opgevolgd.
Wanneer uit de analyseresultaten blijkt dat de zuurtegraad van een perceel onder de limietwaarde/actiegrens ligt dan moet u het perceel bekalken volgens het advies gegeven op basis van het analyseresultaat. U moet kunnen aantonen hoe u aan dit advies gevolg hebt gegeven.
Afhankelijk van uw totale areaal landbouwgrond exclusief grasland en permanente bedekking moet u per begonnen schijf van vijf hectare minstens één geldig analyseresultaat kunnen voorleggen.
Het vereiste minimumaantal geldige analyses wordt bijkomend begrensd door het aantal aangegeven percelen landbouwgrond die geen grasland zijn of geen permanente bedekking hebben.
Onder percelen met een permanente bedekking verstaan we:
- teelten onder glas of in loodsen (in de verzamelaanvraag aangeduid met de gespecialiseerde productiemethodes):
- SER: serres met teelt in volle grond;
- SGM: serres met teelt op groeimedium;
- NPO: niet-permanent overkapte teelt op groeimedium;
- CON: teelt op groeimedium in open lucht (bv. containervelden);
- CIV: teelt in containers op/in volle grond (bv. chrysanten);
- LOO: loods (voor plantaardige productie, bv witloof);
- LVG: loods volle grond.
- teelten die meerdere jaren op het perceel aanwezig blijven. Dit zijn de teelten die het volledige jaar een bedekking bieden (code JT in de kolom ‘erosiegevoeligheid van de teelt’ in de bijlage van de toelichting bij de verzamelaanvraag) alsook de meerjarige teelten (code MT in diezelfde kolom).
De lijst met erkende laboratoria kunt u terugvinden op de VLM-pagina ‘Erkende labo’s en staalnemers’ of kan u opvragen door contact op te nemen met het Agentschap Landbouw en Zeevisserij via het telefoonnummer 02 214 48 48 of via het mailadres info@lv.vlaanderen.be.
Welke informatie vind ik terug op de verzamelaanvraag of het e-loket?
Op het e-loket is het minimumaantal geldige analyses waarover u moet beschikken, vermeld.
Aandachtspunten
Elk analyseresultaat is vijf jaar geldig, te rekenen vanaf de datum waarop de staalname is uitgevoerd. Vergeet niet tijdig de analyse aan te vragen zodat datum van de nieuwe staalname vóór of aansluit op het te vervallen analyseresultaat. Wanneer u over meerdere analyseresultaten voor hetzelfde perceel beschikt, is enkel het meest recente analyseresultaat geldig.
Enkel analyseresultaten waarbij de staalname is uitgevoerd op een perceel dat geen grasland is of dat geen permanente bedekking heeft, zijn geldig. Het analyseresultaat telt wel mee wanneer er achteraf tijdens geldigheidsperiode het betrokken perceel grasland is of een permanente bedekking heeft.
Wanneer het organische koolstofgehalte onder de limietwaarde/actiegrens ligt, moet u steeds de mestwetgeving respecteren bij het volgen van het advies organische koolstof beschreven in het analyseresultaat dat zich baseert op de code van goede praktijk bodembescherming. Ook door aanpassingen in het teeltplan kunt u aan het advies gevolg geven, bijvoorbeeld door de inzaai van groenbedekkers of te kiezen voor teelten met een hoge aanvoer van effectieve organische koolstof.
U moet zelf het bewijs van opvolging van het advies bij een te lage organische koolstofgehalte of een te lage zuurtegraad op het perceel bijhouden. U moet kunnen aantonen dat het advies binnen de periode van geldigheid van het analyseresultaat is opgevolgd. Concreet voor de opvolging van een te laag koolstofgehalte moet u kunnen aantonen dat er elk jaar voor de periode van vijf jaar voldoende organische koolstof op het betreffende perceel is aangebracht.
Minimale bodembedekking (GLMC 6)
Kale bodems zijn kwetsbaar voor erosie en uitspoeling van nutriënten. Het bedekt houden van de bodem zorgt dan ook voor bescherming in de meest kwetsbare periodes.
Samenvattende info:
De bodem maximaal bedekt houden tijdens de winter door:
- Het inzaaien van een groenbedekker of een nateelt;
- Het behouden van de stoppels en opslag
- Het behouden van de gewasresten na de oogst
- Het behouden van de teelt
- De noden gekoppeld aan deze maatregel zijn terug te vinden in de tabel: ‘Noden volgens maatregelen’ op de pagina ‘Gebundelde fiches, tabellen, formulieren’.
Norm
U moet zorgen voor een minimale bodembedekking tijdens de winter. Hieraan voldoet u door op minstens 80% van het totale bouwlandareaal van het bedrijf, één van de volgende maatregelen te nemen die u minstens aanhoudt in de periode van 1 december tot en met 31 januari zodat tijdens de winter een minimale bodembedekking aanwezig is:
- ofwel zaait u een groenbedekker of een nateelt in. Tot aan de start van de veldwerkzaamheden voor de inzaai van de groenbedekker of de nateelt behoudt u de stoppels en opslag of laat u de plantenresten van de hoofdteelt aan de oppervlakte liggen om voor een bedekking van de bodem te zorgen;
- ofwel behoudt u de stoppels en opslag na de oogst van de hoofdteelt;
- ofwel laat u de plantenresten van de hoofdteelt aan de oppervlakte liggen om voor een bedekking van de bodem te zorgen
- ofwel behoudt u de teelt tijdens de winterperiode.
- Kerende bodembewerkingen waarbij de plantenresten worden ondergewerkt zoals ploegen, spitten, frezen of diepfrezen alsook niet-kerende bodembewerkingen waarbij de plantenresten grotendeels in de bodem worden ingewerkt waardoor er nog amper gewasresten aan de oppervlakte achterblijven, zijn niet toegestaan tot de start van de veldwerkzaamheden voor de inzaai van de groenbedekker of de nateelt die als voorteelt of hoofdteelt zal dienen in de volgende campagne.
Met opslag wordt het kiemen bedoeld van zaden die na de oogst op het veld zijn achtergebleven, dus zowel oogstverliezen als andere kruiden kunnen voor opslag zorgen. Ook het laten doorgroeien van oogstresten van bloemkool, rode kool, savooikool en witte kool vallen onder deze bepaling.
Als na de oogst onvoldoende oogstresten achterblijven of te verwachten is dat die oogstresten snel verteerd zullen zijn om nog te zorgen voor een bodembedekking tot en met 31 januari, dan is de inzaai van een groenbedekker of een nateelt de enige mogelijkheid als u het perceel wil laten meetellen om op minstens 80% van het totale bouwlandareaal minimale bedekking te realiseren.
Uitzondering voor klei- en leembodems
Op percelen met een zware bodemtextuur, namelijk met een klei- of leembodem, is winterploegen toegestaan
- vanaf 15 oktober op de andere kleibodems dan deze gelegen in de landbouwstreken Polders en Duinen, en
- vanaf 1 december op de leembodems
Voor percelen met een kleibodem gelegen in de landbouwstreek Polders en Duinen is winterploegen altijd toegestaan.
|
Landbouwstreek |
Vroegste ploegdatum op kleibodem |
Vroegste ploegdatum op leembodem |
|---|---|---|
|
Polders en Duinen |
- |
1 december |
|
Zandstreek, Kempen, Zandleemstreek, Leemstreek, Weidestreek (Luik) |
15 oktober |
1 december |
Hierbij houdt u de bodem na de oogst van de hoofdteelt tot de aanvang van het winterploegen bedekt door:
- ofwel de inzaai van een groenbedekker of een nateelt na de oogst van de hoofdteelt,
- ofwel het behouden van de stoppels en opslag,
- ofwel het aan de oppervlakte laten liggen van de plantenresten na de oogst van de hoofdteelt.
Wanneer u op de klei- of leembodem een nateelt inzaait die voor een bodembedekking in de winter zorgt, is ook aan deze GLMC-voorwaarde voldaan.
Een kleibodem wordt volgens de bodemkaart gekarakteriseerd met de codes U (zware klei) of E (klei) of vergelijkbare bodems in de Zeepolders of in de bodemstaalanalyse met de codes 50 (klei), 60 (lichte polder), 70 (polder).
Een leembodem wordt volgens de bodemkaart gekarakteriseerd met de codes A (leem) of in de bodemstaalanalyse met de codes 35 (lichte leem), 40 (leem) en 45 (zware leem), of een combinatie van deze codes U, E, A.
De bodemkaart kunt u terugvinden op de website van Databank Ondergrond Vlaanderen.
Het bodemtype van uw perceel kunt u raadplegen in de kolom ‘Bodemtype’ onder ‘Overzicht – Perceelsinfo’ in de verzamelaanvraag op het e-loket, alsook in het tabblad ‘Bodem’ in uw Bodempaspoort op het e-loket. Op de website van het Agentschap Landbouw en Zeevisserij kunt u meer info over het Bodempaspoort terugvinden.
Zware gronden met bodemtextuur klei en leem moeten kunnen geploegd worden vóór de winter om een goede bodemstructuur te kunnen behouden. De bodemtexturen klei en leem zijn immers texturen die minder gemakkelijk te bewerken zijn en gevoelig zijn voor structuurschade. Deze zwaardere grondtypes worden voor de winter diep bewerkt (ploegen) zodat de ruwe grond door uitvriezen tijdens de winter kan verweren in een fijn zaaibed dat dan in het voorjaar nog oppervlakkig bewerkt kan worden. Hoe meer klei of leem aanwezig is in de bodem, hoe zwaarder het bodemtype is en hoe fragieler de bewerkbaarheid van de grond.
Hoe toepassen op percelen met een hoge en zeer hoge erosiegevoeligheid
Deze basisnorm is tevens van toepassing op percelen met een hoge en zeer hoge erosiegevoeligheid. Wanneer u op deze percelen conform GLMC 5 het basispakket moet toepassen en dat basispakket in strengere voorwaarden voorziet, moet u deze strengere voorwaarden toepassen. Op percelen met een hoge en zeer hoge erosiegevoeligheid gelden daarom de volgende verplichtingen in het kader van het basispakket in combinatie met de verplichtingen op basis van de GLMC-norm 6:
- Wanneer de hoofdteelt vóór 15 oktober geoogst wordt, zaait u vóór 1 december ofwel een groenbedekker ofwel een nateelt in.
- Tot aan de inzaai van de groenbedekker of de nateelt behoudt u de stoppels en opslag of laat u de plantenresten aan de oppervlakte liggen om voor een bedekking van de bodem te zorgen.
- Wanneer de hoofdteelt geoogst wordt na 15 oktober maar vóór 1 december, minstens één van de volgende maatregelen toepassen:
- u zaait een groenbedekker of een andere teelt in, waarbij u tot de inzaai ervan de stoppels en opslag behoudt of de plantenresten aan de oppervlakte laat liggen om voor een bedekking van de bodem te zorgen;
- bij korrelmais, spruiten en andere koolsoorten laat u de plantenresten aan de oppervlakte liggen om voor een bedekking van de bodem te zorgen tot de inzaai van de volgende teelt;
- u past winterploegen (winterlabeur) toe op percelen met een leem- en kleibodem (op basis van de bodemkaart of bodemstaal), waarbij een perceel met een kleibodem vanaf 15 oktober kan geploegd worden en een perceel met een leembodem vanaf 1 december(1). Hierbij houdt u de bodem na de oogst van de hoofdteelt tot de aanvang van het ploegen bedekt door:
- ofwel de inzaai van een groenbedekker na de oogst van de hoofdteelt,
- ofwel het behouden van de stoppels en opslag,
- ofwel de plantenresten aan de oppervlakte te laten liggen.
- Wanneer de hoofdteelt niet geoogst is op 1 december, moet u minstens één van de volgende maatregelen toepassen:
- u behoudt de teelt of de plantenresten na het oogsten tot de inzaai van de volgende teelt;
- u past winterploegen (winterlabeur) toe op percelen met een leem- en kleibodem (op basis van de bodemkaart of bodemstaal). Hierbij houdt u de bodem na de oogst van de hoofdteelt tot de aanvang van het ploegen bedekt door de stoppels te behouden en plantenresten te laten liggen.
- Voor meerjarige teelten: ofwel zorgt u er voor dat de bodem voor minstens 80 % bedekt is door de combinatie van enerzijds de teelt zelf en van anderzijds gras of een andere waterdoorlatende bodembedekking tussen de rijen, ofwel past u een maatregel toe uit het keuzepakket structurele erosiebestrijdingswerken. Op percelen met hoge erosiegevoeligheid kunt u ook een maatregel uit het keuzepakket bufferstroken kiezen (zie keuzepakketten vermeld bij GLMC 5).
Aandachtspunten
- Na het oogsten van o.a. aardappelen, bieten,… blijven er meestal weinig gewasresten achter op het perceel die voor een bodembedekking tot en met 31 januari kunnen zorgen. Daarom is de inzaai van een groenbedekker of nateelt hier nodig om een minimale bodembedekking te verzekeren tot en met 31 januari als u het perceel wil laten meetellen voor de realisatie van een minimale bodembedekking op minstens 80% van het totale bouwlandareaal..
- Bij het inzaaien van groenbedekkers of nateelt moet u tot aan de veldwerkzaamheden hiervan de stoppels behouden of plantenresten aan de oppervlakte laten liggen om zo de bodem bedekt te houden.
- Indien u na de oogst van korrelmaïs een kerende of niet-kerende bodembewerking toepast waardoor de plantenresten in de bodem worden onder- of ingewerkt en er nog amper gewasresten aan de oppervlakte achterblijven, is de bodem niet langer als bedekt te beschouwen. In dat geval moet u nog een groenbedekker of een nateelt (wintergewas) inzaaien als u het betrokken perceel wilt laten meetellen voor de realisatie van een minimale bodembedekking op minstens 80% van het totale bouwlandareaal.
Gewasrotatie op bouwland (GLMC 7)
Door het roteren van de gewassen op een perceel wordt bodemuitputting vermeden en kan de ontwikkeling van bodempathogenen afgeremd worden, zodat het bodempotentieel behouden blijft.
Samenvattende info:
- Pas gewasrotatie toe op perceelsniveau
- Als alternatief kunt u ook gewasdiversificatie toepassen op uw bedrijf
- Aardappelen: slechts éénmaal om de drie jaar op eenzelfde perceel, voor gecertificeerde pootaardappelen: éénmaal om de vier jaar
- De noden gekoppeld aan deze maatregel zijn terug te vinden in de tabel: ‘Noden volgens maatregelen’ op de webpagina 'Tabellen'.
Basisnorm gewasrotatie
Op perceelsniveau zorgt u ervoor dat u elk jaar gewasrotatie toepast op elk bouwlandperceel door:
- Ofwel een hoofdteelt te telen die behoort tot een andere gewasgroep dan de gewasgroep waartoe de hoofdteelt van het voorgaande jaar behoort;
- Ofwel na de hoofdteelt van het voorgaande jaar een nateelt aan te houden die minstens twaalf weken op het perceel aanwezig blijft. De nateelt behoort tot een andere gewasgroep dan de hoofdteelt van het betrokken jaar;
- Deze voorwaarde geldt niet voor percelen die in het voorgaande jaar meerjarige gewassen, grassen en andere kruidachtige voedergewassen of braakliggend land als teelt hadden.
- Een hoofdteelt verschilt van de hoofdteelt van het voorgaande jaar wanneer deze teelt tot een andere gewasgroep (zie punt Definitie gewasgroep) behoort.
Alternatief voor de basisnorm gewasrotatie: gewasdiversificatie
Wanneer u niet aan de basisnorm gewasrotatie voldoet of kan voldoen, is er wel een alternatief om ook aan deze verplichting te voldoen, namelijk door gewasdiversificatie toe te passen op uw bedrijf en dit op de volgende manier:
Als het bouwlandareaal van uw bedrijf:
- meer dan 10 hectare en niet meer dan 30 hectare bedraagt, moet u op dat bouwland minstens 2 verschillende hoofdteelten telen. De omvangrijkste teelt mag daarbij niet meer dan 75% van het areaal bouwland innemen.
- meer dan 30 hectare bedraagt, moet u op dat bouwland minstens 3 verschillende hoofdteelten telen. De omvangrijkste teelt mag niet meer dan 75% van het areaal bouwland beslaan en de twee omvangrijkste gewassen samen niet meer dan 95%.
- Met verschillende hoofdteelten worden teelten bedoeld die tot een verschillende gewasgroep (zie punt 3) behoren.
Definitie gewasgroep
Een gewasgroep voor de norm gewasrotatie is een groep van teelten die behoren tot hetzelfde geslacht of dezelfde soort. Zo is er de gewasgroep ‘Bieten’ (geslacht) waartoe voederbiet, suikerbiet en rode biet behoren. Een ander voorbeeld is de gewasgroep ‘Koolachtigen’ (soort) waartoe broccoli, bloemkool, spruitkool, rode kool, … behoren. Op het e-loket wordt deze opdeling voor u gemaakt. De opdeling vindt u ook op de webpagina ‘Tabellen’ in de bijhorende tabel ‘Gewasgroepen gewasrotatie’.
Winterteelten en zomerteelten worden als afzonderlijke gewasgroepen beschouwd, ook al behoren ze tot hetzelfde geslacht. Zo worden bijvoorbeeld wintertarwe en zomertarwe als twee verschillende gewasgroepen beschouwd. Spelt (Triticum spelta) wordt aanzien als een aparte gewasgroep ten aanzien van gewassen die behoren tot hetzelfde geslacht.
Silomais, korrelmais of een mengsel van mais met een andere teelt (vb. vlinderbloemigen) worden allemaal aanzien als mais en behoren tot dezelfde gewasgroep. Het afwisselen van deze teelten, zorgt dus niet voor een gewasrotatie op het perceel.
Toegestane afwijkingen van de basisnorm voor gewasrotatie
De volgende bedrijven zijn vrijgesteld van de toepassing van de basisnorm voor gewasrotatie:
- Bedrijven waarbij meer dan 75 % van het bouwland in 2026 ofwel wordt gebruikt voor de productie van grassen of andere kruidachtige voedergewassen, ofwel braak ligt, ofwel wordt gebruikt voor de teelt van vlinderbloemige gewassen ofwel wordt gebruikt voor een combinatie van deze toepassingen.
- Bedrijven waarbij meer dan 75 % van het subsidiabele landbouwareaal in 2026 ofwel blijvend grasland is, ofwel wordt gebruikt voor de productie van grassen of andere kruidachtige voedergewassen.
- Bedrijven waarvan het bouwlandareaal in 2026 niet meer dan 10 hectare bedraagt.
Volgende percelen bouwland van de voorgaande campagne zijn vrijgesteld van de basisnorm voor gewasrotatie, deze vrijstellingen gelden dus niet bij de alternatieve invulling via gewasdiversificatie:
- Percelen met meerjarige gewassen, grassen en andere kruidachtige voedergewassen of braakliggend land.
- Onder de meerjarige gewassen vallen o.a. de teeltcodes meerjarige klaver (722), rode klaver (723), meerjarige luzerne (732), artisjok (8586, 9586) en bieslook (865 en 965)
- Onder de grassen en andere kruidachtige voedergewassen vallen de teeltcodes gras (60), graskruiden (63), festulolium (638) grasluzerne (660), grasklaver (700), mengsel gras en vlinderbloemigen (745), zaaizaad gras (601), graszoden (955), weiland met oogstbare bomen (9827) en natuurlijk grasland met onderhoud (9828).
- Onder braak vallen de teeltcodes braak met onderhoud (82), faunabraak (98) en bloemenmengsels (9831).
- Percelen met teelten onder vaste overkapping in volle grond (gespecialiseerde productiemethode ‘SER’ of ‘LVG’).
- Percelen met sierplanten in containers op en in volle grond (gespecialiseerde productiemethode ‘CIV’).
- Percelen met knolbegonia (teeltcode 9571).
- Percelen met aardbeien (teeltcodes 9516 en 9724) en forcerie van witloof (teeltcodes 8515 en 9515)
- Percelen die in voorgaande jaren een lopende beheerovereenkomst hadden met VLM.
- Op percelen besmet met knolcyperus is mais na mais toegelaten tot wanneer het perceel vrij van knolcyperus is. De vrijstelling geldt voor elk aangemeld perceel ongeacht de omvang van de besmetting. Deze afwijking is toegestaan om knolcyperus effectief te kunnen bestrijden. Op basis van de verplichtingen voor geïntegreerde bestrijding (IPM) is de bestrijding van knolcyperus verplicht. Enkel in de maisteelt kunnen nog in België erkende selectieve herbiciden voor de bestrijding van knolcyperus gebruikt worden. Voor een succesvolle bestrijding van knolcyperus is het van belang dat op besmette percelen de maisteelt continu kan doorgezet worden tot het perceel vrij is van besmetting. Een te vroege onderbreking van de behandeling geeft de nog niet volledig verdwenen knolcyperus de kans zich opnieuw uit te breiden waardoor de bestrijding over een langere periode zou moeten aangehouden worden. Enkel percelen die in de verzamelaanvraag aangemerkt zijn als besmet met knolcyperus komen voor deze afwijking in aanmerking. Percelen die voor knolcyperus aangemeld zijn, kunnen niet samengevoegd worden met omliggende percelen tot het moment dat ze terug ‘vrij van knolcyperus’ zijn. Percelen waarop u knolcyperus vaststelt, moet u melden aan de regio met een foto van de besmetting op het perceel zelf. Daarnaast vermeldt u de graad van besmetting (oppervlakte in m²) en of het gaat om een haard of diffuse besmetting. Dat kan via info@lv.vlaanderen.be of de LV-Agrilens-app.
- Percelen met een subsidiabele teelt maar die omwille van de productiemethode (groeimedium) niet subsidiabel zijn en dus geen bouwland zijn (productiemethode serre groeimedium ‘SGM’, loods met teelt op betonvloer ‘LOO’, niet-permanente overkapping op groeimedium ‘NPO’, teelt op groeimedium in open lucht (containerveld) ‘CON’).
Volgende percelen worden beschouwd als voldaan aan de gewasrotatieverplichting:
- Biologisch gecertificeerde percelen in de voorgaande campagne. Dat geldt voor alle bio‑gecertificeerde percelen en percelen in omschakeling die door de controleorganen zijn bevestigd. Niet-bevestigde bio-percelen of te laat aangemelde bio-percelen moeten net als de gangbare percelen van het bedrijf wel voldoen aan gewasrotatie.
- Percelen van CSA‑bedrijven of pluktuinen met veel verschillende teelten op 1 perceel in het voorgaande jaar en die in de opeenvolgende jaren (ruimtelijk) roteren. De percelen zijn aangegeven met volgende teeltcodes:
- Rotatieteelt van groentegewassen (teeltcode ‘899’)
- Rotatieteelt van snijbloemen andere dan rozen (teeltcode ‘9755’)
Specifieke norm voor aardappelen
Op een perceel waar u aardappelen teelt, moet u minstens twee jaar een ander gewas telen alvorens u opnieuw aardappelen op dat perceel kunt telen. Deze verplichting geldt niet voor de teelt van aardappelen onder niet verplaatsbare serres. Bij de teelt van gecertificeerd pootgoed is dit minstens drie jaar. Om fytosanitaire redenen mag er voor de nieuw aangelegde percelen aardappelen geen overlap zijn met percelen waar in de voorgaande jaren aardappelen werden geteeld.
Welke informatie vind ik terug op de verzamelaanvraag of het e-loket?
Rotatie aardappelen
Op het e-loket kunt u van elk perceel de teelthistoriek raadplegen onder ‘informatie over een punt’. Ook kunt u daar de rotatiestatus aardappelen nagaan. De rotatiestatus aardappelen is eveneens terug te vinden onder de rubriek “Perceelsinfo” – “Algemeen”.
Gewasrotatie
In de verzamelaanvraag op het e-loket kunt u nagaan aan de hand van de bijgaande schema’s of u al dan niet voldoet aan gewasrotatie of, als alternatief, aan gewasdiversificatie.
Aandachtspunten
- Landbouwers die moeten voldoen aan IPM (Integraal Pest Mamangement), moeten wel voldoen aan volgende rotatie bij maïs (silomaïs en korrelmaïs):
- Mais mag maximaal 3 op 4 jaar worden geteeld op een perceel.
- IPM -checklist 2025: https://lv.vlaanderen.be/sites/lv/files/2025-02/IPM_richtlijnen_Checklist_2025%20met%20aanpassing%20maisrotatietekst.pdf
In de algemene checklist werd voor de teelt van maïs (silomaïs en korrelmaïs) een nieuw punt (NIV 2 in 2026) opgenomen die stelt dat de rotatie maximaal 3 op 4 kan zijn tenzij het perceel of/en gemeld of gekend is voor de aanwezigheid van knolcyperus bij het Agentschap Landbouw en Zeevisserij. In aanwezigheid van knolcyperus is maïs de aangewezen teeltkeuze aangezien het de enige teelt is waarin er een behoorlijke bestrijding van knolcyperus mogelijk is. De punten rond teeltrotatie in de checklist zijn van toepassing op alle landbouwers die aan IPM moeten voldoen ongeacht of zij premies ontvangen in kader van het GLB. ‘