Waterkwaliteit

Op deze pagina:

Bufferstroken langs waterlopen (GLMC 4)

Bufferstroken spelen een belangrijke rol in het voorkomen van verontreiniging van waterlopen. Ze beperken de afspoeling van meststoffen en gewasbeschermingsmiddelen van het perceel naar de waterlopen.

Samenvattende info:

  • Te respecteren langs alle waterlopen:
    • 1 m teeltvrije strook
    • 3 m pesticidevrije en bemestingsvrije strook bij niet-nitraatgevoelige teelt en nitraatgevoelige teelt in GT 0 en 1, met spontane vegetatie of meerjarig buffergewas
    • 5 m pesticidevrije en bemestingsvrije strook bij nitraatgevoelige teelt in GT 2 en 3 of teelt in groene bestemmingen (bos, natuur en reservaat,…), met spontane vegetatie of meerjarig buffergewas
  • De noden gekoppeld aan deze maatregel zijn terug te vinden in de tabel: ‘Noden volgens maatregelen’ op de pagina ‘Gebundelde fiches, tabellen, formulieren’. 

Norm

Langs alle waterlopen, opgenomen in de Vlaamse Hydrografische Atlas (VHA), moet u, landinwaarts vanaf de bovenste rand van het talud, de volgende bufferstroken respecteren:

  • Voor alle niet-nitraatgevoelige teelten (ongeacht het gebiedstype) of voor nitraatgevoelige teelten in gebiedstype 0 en 1:
    • 1 m teeltvrije strook;
    • 3 m strook met spontane vegetatie of een meerjarig buffergewas;
    • 3 m pesticidevrije strook;
    • 3 m bemestingsvrije strook (10 m indien een helling grenst aan de waterloop en in gebieden die behoren tot het Vlaams Ecologisch Netwerk). Bemesting is verboden, met uitzondering van bemesting door rechtstreekse uitscheiding bij begrazing waarbij begrazing is toegestaan langsheen begraasde weilanden. Langs andere percelen met gewassen kan enkel tijdelijk begraasd worden als onderhoudsmaatregel;
  • Voor alle nitraatgevoelige teelten in gebiedstype 2 en 3 en voor zowel nitraatgevoelige als niet-nitraatgevoelige teelten in groene bestemmingen (bos, natuur en reservaat,…):
    • 1 m teeltvrije strook;
    • 5 m strook met spontane vegetatie of een meerjarig buffergewas;
    • 5 m pesticidevrije strook;
    • 5 m bemestingsvrije strook (10 m indien een helling grenst aan de waterloop en in gebieden die behoren tot het Vlaams Ecologisch Netwerk). Bemesting is verboden, met uitzondering van bemesting door rechtstreekse uitscheiding bij begrazing waarbij begrazing is toegestaan langsheen begraasde weilanden. Langs andere percelen met gewassen kan enkel tijdelijk begraasd worden als onderhoudsmaatregel;

Deze verplichtingen zijn van toepassing langs alle Vlaamse waterlopen, inclusief ontwaterings- en irrigatiesloten en waterlopen die gedurende een deel van het jaar opdrogen, die opgenomen zijn in de Vlaamse Hydrografische Atlas (VHA).

schema beschermingsstrook 3 m
schema beschermingsstrook 5 m

Welke informatie vind ik terug op de verzamelaanvraag of het e-loket?

De waterlopen opgenomen in de Vlaamse Hydrografische Atlas (VHA) worden in het blauw voorgedrukt op de fotoplannen van de verzamelaanvraag (blauw gearceerde polygonen of blauwe stippellijnen).

Op de fotoplannen zijn eveneens paars gearceerde polygonen terug te vinden. Dit zijn de oppervlaktewaterlichamen die niet als waterloop zijn opgenomen in de VHA. Langs deze oppervlaktewaterlichamen moet u op basis van de beheerseisen voortvloeiend uit de kaderrichtlijn Water (RBE 1), eveneens een 1 m teeltvrije strook en een 5 m (10 m in VEN of op hellingen) bemestingsvrije strook respecteren. Ook moet u op basis van de beheerseisen voortvloeiend uit de verordening voor het op de markt brengen van gewasbeschermingsmiddelen (RBE 7) een pesticidevrije strook van minstens 1 m respecteren. 

Aandachtspunten

Op de 1m teeltvrije strook langs alle waterlopen mogen er geen grondbewerkingen zijn en geen teelten staan, bovenop de hierboven vermelde beperkingen op het gebruik van pesticiden en bemesting. 

Op de pesticidevrije strook langs alle waterlopen mag er geen gewasbeschermingsmiddelen gebruikt worden. Pleksgewijze bestrijding van akkerdistel is hier niet toegelaten, via maaibeheer kunt u akkerdistels op pesticidevrije stroken bestrijden indien u dit wenst. Ook de pleksgewijze chemische bestrijding van andere probleemonkruiden zoals knolcyperus is niet toegelaten in de pesticidevrije strook.

Indien tussen de VHA-waterloop en het perceel een strook aanwezig is die niet tot het subsidiabel landbouwareaal behoort, zoals een wandelweg, dan mag op het gedeelte van het perceel dat nog binnen de strook van 3 of 5 meter landinwaarts vanaf de bovenste rand van hat talud van de waterloop gelegen is, geen reguliere teelt voorkomen. Op het overlappende gedeelte van het perceel met de 3 of 5 meter beschermingsstrook blijft het bemestingsverbod en verbod op het gebruik van pesticiden gelden.

Zowel met behulp van de LV-Agrilens-app als via het Geoloket Landbouw kunt u terugvinden tot welk gebiedstype volgens de mestwetgeving een bepaald perceel behoort. Daar vindt u ook de waterlopen terug die zijn opgenomen in de Vlaamse Hydrografische Atlas (VHA) via de laag ‘Waterloop (binnen VHA)’ als blauw gearceerde polygonen of blauwe stippellijnen.

De lijst van nitraatgevoelige teelten en niet-nitraatgevoelige teelten kunt u terugvinden op de website van de VLM: https://www.vlm.be/nl/SiteCollectionDocuments/Mestbank/Algemeen/Teelttabel.xls

(In deze tabel is eveneens aangeduid welke teelten als meerjarige buffergewas aanvaard worden.)  

naar boven

Kaderrichtlijn water (RBE 1)

Door de grote druk op de waterreserves in Vlaanderen worden landbouwers aangezet tot doordacht en duurzaam omgaan met water. Om de watervoorraden en de waterkwaliteit in Vlaanderen veilig te stellen en in lijn te brengen met de Europese doelstellingen, zorgen het waterwetboek en zijn uitvoeringsbesluiten voor de omzetting van de Europese Kaderrichtlijn Water (2000/60/EG) in Vlaamse wetgeving. 

Dit stuk verduidelijkt welke maatregelen op basis van de kaderrichtlijn water onder de conditionaliteit zullen opgevolgd worden. 

Samenvattende info:

  • Respecteer de vergunnings- of meldingsplicht en de voorwaarden voor het onttrekken van grondwater of oppervlaktewater voor landbouwkundig gebruik.
  • Voorkom verontreiniging van oppervlaktewaterlichamen met fosfaten door het respecteren van de 1 meter teeltvrije strook en de 5 meter bemestingsvrije strook langs oppervlaktewaterlichamen, naast de verplichtingen die voortvloeien uit de mestwetgeving en die toegelicht worden onder het punt “Nitraatrichtlijn (RBE 2)” hieronder.
  • De noden gekoppeld aan deze maatregel zijn terug te vinden in de tabel: ‘Noden volgens maatregelen’ op de webpagina 'Tabellen'.

Verplichtingen in het kader van de kaderrichtlijn water

Onttrekking van water voor gebruik in de landbouw

Grondwater

Voor het oppompen van grondwater voor gebruik bij landbouwactiviteiten is er een meldingsplicht of een vergunningsplicht. Die vergunning is een onderdeel (rubriek 53.8) van de algemene omgevingsvergunning. Welke indeling van klasse grondwaterwinning en welke type vergunning u nodig heeft, kunt u terugvinden op de volgende website:

https://www.dov.vlaanderen.be/page/vlarem-rubriek-538 

Hierop gelden twee uitzonderingen:

  • Grondwaterwinning waarbij het water uitsluitend met een hand- neus of voetpomp wordt opgepompt gelegen buiten een beschermingszone type III afgebakend rond een drinkwaterwinning
  • Grondwaterwinning van max. 150 m3/jaar,  waarvan het water alleen wordt gebruikt voor huishoudelijke toepassingen gelegen buiten een beschermingszone type III afgebakend rond een drinkwaterwinning.

Elke grondwaterwinning moet beschikken over een verzegelde debietmeter. Dat geldt ook voor grondwaterwinningen aangewend voor de irrigatie in open lucht in de land- en tuinbouw. Debietmeters zijn echter niet verplicht voor:

  • grondwaterwinningen uitgerust met een handpomp;
  • grondwaterwinningen voor huishoudelijke doeleinden tot maximum 150 m³/jaar. Echter, vanaf 1 juli 2025 vervalt deze uitzondering voor nieuw geïnstalleerde grondwaterwinningen. Vanaf 1 juli 2035 vervalt de uitzondering voor bestaande grondwaterwinningen.
  • draineringen nodig om het gebruik of de exploitatie van bouw- en weilanden mogelijk te maken.

Ook mobiele pompen voor de irrigatie in open lucht voor land- en tuinbouw moeten over een meter beschikken. Er moet een logboek worden bijgehouden. Deze verplichting geldt niet voor mobiele pompen waarmee enkel grondwater wordt opgepompt uit één en dezelfde watervoerende laag binnen één en dezelfde vergunning. Bij het ontbreken van een meter legt Vlaamse Milieumaatschappij (VMM) een boete op. 

Wanneer de verzegeling van uw debietmeter wordt verbroken, moet u dit onmiddellijk schriftelijk melden met behulp van het meldingsformulier aan de Vlaamse Milieumaatschappij. De VMM-verzegelaar zal dan na een controle de installatie opnieuw verzegelen, als ze aan de vereisten voldoet.

Oppervlaktewater

Bij onttrekking van water moet u in een verzegelde debietmeter voorzien. Het totale volume onttrokken water moet u verplicht meten en registreren. Een debietmeter is niet verplicht als de onttrekking op jaarbasis minder dan 500 m³ bedraagt en het gaat over:

  • een onttrekking bestaande uit een weidepomp om dieren te drenken;
  • een onttrekking om een spuittoestel te vullen om gewasbeschermingsmiddelen te gebruiken;
  • een onttrekking om een water- of aalton van maximaal 10 m³ te vullen;
  • een onttrekking met behulp van een pomp om een of meerdere haspels te voeden met een effectief debiet kleiner dan 10 m³ per uur. Indien de pomp meerdere haspels voedt, telt het effectief debiet van de gezamenlijke haspels;
  • zonnepompen voor weidevogels en pompen voor veedrinkpoelen.
  • De voorwaarden voor het capteren van oppervlaktewater hangen af van het soort waterloop.

Watercaptatie uit bevaarbare waterlopen

Om water uit havens te mogen capteren moet u een aanvraag indienen bij het Gemeentelijk Havenbedrijf Antwerpen.

Om water uit kanalen en rivieren te mogen gebruiken/capteren:

Watercaptatie uit onbevaarbare waterlopen

Om water uit een onbevaarbare waterloop of publieke gracht te onttrekken moet u een onttrekkingsticket aanvragen via het e-loket www.wateronttrekking.be. 

  • Een tijdelijke captatie moet u melden aan de waterloopbeheerder. De waterloopbeheerder kan dan nagaan of de waterbeschikbaarheid en onttrekkingen niet uit evenwicht zijn. Om dit vlot te laten verlopen, is er een e-loket wateronttrekkingen. voor alle onbevaarbare waterlopen en publieke grachten, beheerd door de gemeentes, de polders en wateringen, de provincies en de Vlaamse Milieumaatschappij.

  • Voor een permanente installatie voor de onttrekking van water moet u een machtiging aanvragen via het e-loket www.wateronttrekking.be.

Onttrekkingsverbod voor kleine, ecologisch zeer kwetsbare waterlopen

De provinciegouverneur heeft de bevoegdheid om in periodes van droogte en waterschaarste onttrekkingsverboden in te stellen en mag ook preventief onttrekkingsverboden en -beperkingen instellen voor kwetsbare waterlopen.

  • permanent onttrekkingsverbod: ecologisch zeer kwetsbare waterlopen zijn waterlopen met een hoge ecologische waarde én een klein debiet. Als er water wordt onttrokken, heeft dit direct een grote impact. Daarom stellen de provinciegouverneurs van Limburg, Antwerpen, West-Vlaanderen en Vlaams-Brabant voor de kwetsbare waterlopen op hun grondgebied, een permanent onttrekkingsverbod in. In Oost-Vlaanderen geldt een zomer-captatieverbod voor deze waterlopen (tussen 1/04 en 31/10). 

    Waar er welk type onttrekkingsverbod geldt, kunt u raadplegen op www.wateronttrekking.be of op de kaart met onttrekkingszones (Vlaamse Milieumaatschappij-VMM). Deze kaarten geven de actuele onttrekkingsverboden aan. Als er extra onttrekkingsverboden ingesteld worden, wordt de kaart meteen geactualiseerd.

  • Tijdelijk onttrekkingsverbod: in functie van de droogtetoestand kunnen de provinciegouverneurs ook tijdelijke onttrekkingsverboden instellen voor de ecologisch kwetsbare waterlopen op hun grondgebied.

  • Voor overzicht van permanente en tijdelijk ingestelde onttrekkingsverboden: zie Droogtemaatregelen | Vlaanderen.be

Verplichte vereisten ter beheersing van diffuse bronnen van vervuiling door fosfaten:

Naast de beheerseisen die van toepassing zijn op basis van de nitraatrichtlijn en die voorvloeien uit de mestwetgeving en die opgenomen zijn in de fiche “Nitraatrichtlijn (RBE 2)”, gelden in dit kader de bepalingen die met betrekking tot de bufferstroken zijn opgenomen in het Vlaamse Waterwetboek. 

Concreet houdt dit in dat u langs alle oppervlaktewaterlichamen die niet zijn opgenomen in de Vlaamse Hydrografische atlas (VHA), landinwaarts vanaf de bovenste rand van het talud het volgende naleeft:

  • 1 m teeltvrije strook (geen grondbewerking, bovenop de hierna vermelde beperkingen op het gebruik van pesticiden en bemesting);

  • 5 m bemestingsvrije strook (10 m langs hellingen en in gebieden die behoren tot het Vlaams Ecologisch Netwerk). Bemesting is in deze strook verboden, met uitzondering van bemesting door rechtstreekse uitscheiding bij begrazing.

Langs de waterlopen opgenomen in de Vlaamse Hydrografische Atlas (VHA) moet u een beschermingsstrook respecteren zoals ook opgenomen onder de norm ‘Bufferstroken langs waterlopen’ (GLMC 4):

Landinwaarts vanaf de bovenste rand van het talud, moet u dan de volgende bufferstroken respecteren:

  • Voor alle niet-nitraatgevoelige teelten (ongeacht het gebiedstype) of voor nitraatgevoelige teelten in gebiedstype 0 en 1:
    • 1 m teeltvrije strook;
    • 3 m strook met spontane vegetatie of een meerjarig buffergewas;
    • 3 m pesticidevrije strook;
    • 3 m bemestingsvrije strook (10 m indien een helling grenst aan de waterloop en in gebieden die behoren tot het Vlaams Ecologisch Netwerk). Bemesting is verboden, met uitzondering van bemesting door rechtstreekse uitscheiding bij begrazing op grasland;
  • Voor alle nitraatgevoelige teelten in gebiedstype 2 en 3 en voor zowel nitraatgevoelige als niet-nitraatgevoelige teelten in natuurgebied:
    • 1 m teeltvrije strook;
    • 5 m strook met spontane vegetatie of een meerjarig buffergewas;
    • 5 m pesticidevrije strook;
    • 5 m bemestingsvrije strook (10 m indien een helling grenst aan de waterloop en in gebieden die behoren tot het Vlaams Ecologisch Netwerk). Bemesting is verboden, met uitzondering van bemesting door rechtstreekse uitscheiding bij begrazing op grasland.

De oppervlaktewaterlichamen die als waterloop zijn opgenomen in de VHA, zijn op het e-loket in het blauw aangeduid en de oppervlaktewaterlichamen die geen deel uitmaken van het VHA-waterlopennetwerk zijn op het e-loket in het paars aangeduid.

Ook indien tussen de VHA-waterloop en het perceel een strook aanwezig is die niet tot het subsidiabel landbouwareaal behoort, zoals wandelweg, dan moet op het gedeelte van het perceel dat nog binnen de strook van 3 of 5 meter landinwaarts vanaf de bovenste rand van hat talud van de waterloop gelegen is, als beschermingsstrook aangehouden worden en blijft het bemestingsverbod en verbod op het gebruik van pesticiden daar gelden.

Welke informatie vind ik terugop de verzamelaanvraag of het e-loket?

Alle oppervlaktewaterlichamen worden in het paars voorgedrukt op de fotoplannen van de verzamelaanvraag (paars gearceerde polygonen). Dit zijn de oppervlaktewaterlichamen die niet als waterloop zijn opgenomen in de Vlaamse Hydrografische Atlas (VHA). 

Op de fotoplannen zijn eveneens blauwe gearceerde polygonen en blauwe stippellijnen terug te vinden. Dit zijn de waterlopen opgenomen in de Vlaamse Hydrografische Atlas (VHA). 

Ook kunt u voor elk perceel zien tot welk gebiedstype het volgens de mestwetgeving behoort. 

Met behulp van de LV-Agrilens-app of via het Geoloket Landbouw kunt u eveneens terugvinden tot welk gebiedstype volgens de mestwetgeving een bepaald perceel behoort. Daar vindt u ook de waterlopen terug die zijn opgenomen in de Vlaamse Hydrografische Atlas (VHA) via de laag ‘Waterloop (binnen VHA)’ als blauw gearceerde polygonen of blauwe stippellijnen.

Aandachtspunten

  • Contactgegevens Vlaamse Milieumaatschappij (VMM) Contact — Vlaamse Milieumaatschappij (vmm.be).
  • Meer info over de werking van het e-loket wateronttrekking vindt u bij Melding voor het onttrekken van water uit een onbevaarbare waterloop (Vlaanderen) of Water onttrekken uit onbevaarbare waterlopen (Vlaamse Milieumaatschappij - VMM). Bekijk ook het webinar e-loket captatie onbevaarbare waterlopen.
  • Eind 2024 heeft het Vlaams Parlement een decreet aangenomen dat het decreet over het integraal waterbeleid (Waterwetboek) en het Mestdecreet wijzigt. De wijzigingen hebben een belangrijke impact op de mestafzetruimte wat van invloed is op de mestbalans. Meer informatie over deze wijzigingen zijn terug te vinden op de website  van de VLM: Nieuwe mestmaatregelen vanaf 2026 | Vlaamse Landmaatschappij.
  • Deze decreetwijziging houdt in dat vanaf 2026 langs alle oppervlaktewaterlichamen opgenomen in de Vlaamse Hydrografische Atlas, beschermingsstroken moeten gerespecteerd worden zoals nader omschreven in deze fiche onder 1.2 en de fiche over de GLMC-norm ‘Bufferstroken langs waterlopen’ (GLMC 4).Zowel via de verzamelaanvraag op het e-loket als met behulp van de LV-Agrilens-app of via het Geoloket Landbouw kunt u terugvinden tot welk gebiedstype volgens de mestwetgeving een bepaald perceel behoort. Daar vindt u ook de waterlopen terug die zijn opgenomen in de Vlaamse Hydrografische Atlas (VHA) via de laag ‘Waterloop (binnen VHA)’ als blauw gearceerde polygonen of blauwe stippellijnen.
  • Zie ook punt “Nitraatrichtlijn (RBE 2)” hieronder.

naar boven

Nitraatrichtlijn (RBE 2)

Om de waterkwaliteit in Vlaanderen te verbeteren en in lijn te brengen met de Europese doelstellingen zorgen het Mestdecreet en zijn uitvoeringsbesluiten voor de omzetting van de Richtlijn voor de bescherming van water tegen verontreiniging door nitraten uit agrarische bronnen (91/676/ EEG) in Vlaamse wetgeving. De Mestbank van de Vlaamse Landmaatschappij staat in voor de praktische uitvoering van het Mestdecreet.

Deze fiche verduidelijkt welke maatregelen op basis van de nitraatrichtlijn onder de conditionaliteit zullen opgevolgd worden. 

Samenvattende info:

  • Respecteer de uitrijregeling voor meststoffen
  • Zorg voor voldoende opslagcapaciteit
  • Respecteer de voorwaarden voor de opslag van dierlijke mest
  • Leef de regels voor de opslag van meststoffen op landbouwgrond na
  • Respecteer het verbod op mestlozing
  • Leef de regels voor het inzaaien van vanggewassen na
  • Respecteer het verbod op mestspreiding langs waterlopen of op drassig land of op steile hellingen
  • Zorg voor een emissiearme aanwending van mest
  • Hou het kunstmestregister bij
  • De noden gekoppeld aan deze maatregel zijn terug te vinden in de tabel: ‘Noden volgens maatregelen’ op de pagina ‘Gebundelde fiches, tabellen, formulieren’. 

Verplichtingen in het kader van de nitraatrichtlijn

Uitrijregeling voor meststoffen

Bemesting gebeurt best op een ogenblik dat het gewas stikstof nodig heeft voor de vorming van bladeren en wortels. Dan zijn de hoeveelheden stikstof die in het grond- en oppervlaktewater terechtkomen door uitspoeling relatief kleiner. Om die reden is het spreiden van mest aan vaste regels onderworpen en in bepaalde periodes niet toegestaan. U moet het uitrijverbod voor mest naleven.

Meststoffen met gelijkaardige eigenschappen op vlak van stikstofvrijstelling, hebben dezelfde uitrijregeling. Het type meststof bepaalt m.a.w. in welke periode de meststof mag opgebracht worden en onder welke voorwaarden. De meststoffen zijn opgedeeld in drie types: 

  1. meststoffen van type 1: stalmest, champost en traagwerkende meststoffen
    1. stalmest: een mengsel van stro, houtkrullen, vlaslemen of miscanthus en uitwerpselen van runderen, paarden, schapen, geiten of varkens, met een drogestofgehalte van minimaal 20 procent. De vaste mest in het mengsel moet afkomstig zijn van dieren die zijn gehuisvest in ingestrooide stallen of van het bewerken van dierlijke mest met stro, houtkrullen, vlaslemen of miscanthus. Mengsels met uitwerpselen van pluimvee worden niet beschouwd als stalmest.
    2. champost: afgeoogste champignonmest, die overblijft na het telen van champignons.
    3. traagwerkende meststoffen: boerderijcompost, gecertificeerde gft- en groencompost of bewerkte dierlijke mest en andere meststoffen met een attest als traagwerkende meststof.
  2. meststoffen van type 2: alle meststoffen die niet tot type 1 of 3 behoren
  3. meststoffen van type 3: kunstmest, spuistroom en effluenten
    1. kunstmest;
    2. spuistroom: drainwater dat niet hergebruikt wordt als voedingswater, afkomstig van de teelt van planten op groeimedium;
    3. effluenten: meststoffen ontstaan uit de biologische behandeling van dierlijke of andere meststoffen door middel van nitrificatie of denitrificatie, met uitzondering van het ontstane slib van de biologische verwerking.

De uitrijperiode is voor bepaalde types meststoffen daarnaast afhankelijk van: 

  • de teelt (akkerland, grasland of specifieke teelten) en
  • het bodemtype (zware kleigrond of niet).

Meer uitleg over de uitrijregeling, vind u terug op de pagina uitrijregeling van de website van de Vlaamse Landmaatschappij.

Voldoende opslagcapaciteit

Elk landbouwbedrijf moet beschikken over een mestopslagcapaciteit voor dierlijke mest van ten minste:

  • 9 maanden voor dieren die steeds op stal staan;
  • 6 maanden voor dieren met buitenloop;
  • 3 maanden voor stalmest.

De tijdelijke opslag van vaste dierlijke mest op landbouwgrond of op de kopakker (het uiteinde van het veld) telt niet mee als permanente opslagcapaciteit

De verplichting geldt niet als u kan aantonen dat elke hoeveelheid mest boven de werkelijke opslagcapaciteit op een voor het leefmilieu onschadelijke wijze zal worden verwijderd.

Voorwaarden voor de opslag van dierlijke mest

Om verliezen naar het milieu te voorkomen moet de opslag van dierlijke mest voldoen aan bepaalde voorwaarden:

De voorwaarden voor vaste dierlijke mest 

De voorwaarden voor vaste dierlijke mest zijn:

  • de mestopslag is omgeven door mestdichte wanden;
  • het drain- en regenwater wordt opgevangen en verzameld in mestdichte gesloten opslagruimten (aalputten);
  • er zijn geen afleidingskanalen of overstorten naar oppervlaktewater, openbare riolering, grondwater, kunstmatige afvoerwegen voor regenwater of naar verliesputten.
De voorwaarden voor mengmest

De voorwaarden voor mengmest zijn:

  • er zijn geen afleidingskanalen of overstorten naar oppervlaktewater, openbare riolering, grondwater, kunstmatige afvoerwegen voor regenwater of naar verliesputten;
  • er zijn mestdichte voorzieningen om gemorste mengmest op te vangen. Opslagplaatsen voor mengmest moeten afgesloten zijn van de buitenlucht.

De bodem en wanden moeten mestdicht zijn en vervaardigd uit duurzame materialen.

voorwaarden voor opslag van meststoffen op landbouwgrond 

De opslag van meststoffen van type 1 (stalmest, champost en traagwerkende meststoffen) op landbouwgrond is toegestaan vóór het uitspreiden. Meststoffen van type 2 en 3 mogen niet opgeslagen worden op landbouwgrond of de kopakker, tenzij in een mestzak .

Het opslaan van type 1 meststoffen op landbouwgrond, moet aan de volgende regels voldoen:

  • Er mag op het perceel niet meer mest worden opgeslagen dan er zal worden uitgespreid.
  • De afstand tot de perceelsgrens en het oppervlaktewater bedraagt minstens 10 meter. Bij regen voorkomt dit afvloei van mestsappen buiten het perceel. Let vooral op bij hellende percelen, aangezien de landbouwer in alle omstandigheden moet voorkomen dat mestsappen afvloeien buiten het perceel ook al heeft hij de afstandsregels gerespecteerd.
  • De afstand tot woningen van derden of tot publiek toegankelijke gebouwen bedraagt minstens 100 meter. Dat minimaliseert de geurhinder.
  • In de periode van 1 november t.e.m. 15 januari, moet de opslag afgedekt zijn op een luchtdoorlatende, semipermeabele wijze die verhindert dat er regenwater insijpelt.
  • Buiten de periode van 1 november t.e.m. 15 januari hoeft de opslag van type 1 meststoffen niet afgedekt te zijn op voorwaarde dat de meststoffen niet langer dan twee maanden vóór het uitspreiden worden opgeslagen.
  • De opslag van boerderijcompost en gecertificeerde gft- en groencompost hoeft niet afgedekt te worden en mag langer dan twee maanden vóór het uitspreiden worden opgeslagen.

Bij de opslag van vloeibare meststoffen op landbouwgrond in niet-permanente mestzakken moet de afstand van de opslag tot een oppervlaktewaterlichaam ten minste 10 meter bedragen.

Verbod op mestlozing

U mag geen dierlijke mest, andere meststoffen of kunstmest lozen of storten in openbare rioleringen, oppervlaktewateren, grondwater, evenals op openbare wegen, bermen en op alle andere plaatsen die geen landbouwgrond of groeimedium zijn.

Inzaaien van vanggewassen

Als basisregel geldt dat u op percelen in gebiedstype 1, 2 en 3, die geen zware kleigrond zijn, na een hoofdteelt, die uiterlijk op 31 augustus werd geoogst, uiterlijk op 15 september een vanggewas moet inzaaien, tenzij u er een nateelt inzaait. 

Het vanggewas moet u minstens tot de volgende data aanhouden:

  • op de zware kleigronden: minstens tot en met 15 oktober;
  • op percelen gelegen in de landbouwstreek ‘de Leemstreek', die geen zware kleigrond zijn: minstens tot en met 30 november;
  • op alle andere percelen: minstens tot en met 31 januari van het volgende jaar.

Volgens het Mestdecreet kunnen de volgende teelten als vanggewas ingezaaid worden:

  • Bladrammenas, boekweit, festulolium, gele mosterd, gras in onderzaai, grasklaver, graskruidenmengsel, grasland, graszoden, incarnaatklaver, Japanse haver, komkommerkruid, luzerne, nootzoetraapzaad, nyger, phacelia, rode klaver, sareptamosterd, snijrogge, sorghum, tagetes, voederkool (bladkool), winterhaver, winterraapzaad, witte klaver, zaaizaadgrassen, zomerhaver, zomerraapzaad, zwaardherik evenals alle mengsels die voor minimaal 75% bestaan uit een of meerdere van deze teelten.

Verbod op mestspreiding langs oppervlaktewaterlichamen of op drassig land of op steile hellingen

Het is verboden meststoffen op of in de bodem te brengen (met uitzondering van bemesting door rechtstreekse uitscheiding) langs oppervlaktewaterlichamen die niet de Vlaamse Hydrografische atlas zijn opgenomen:

  • tot 5 meter landinwaarts vanaf de bovenste rand van het talud van het oppervlaktewaterlichaam;
  • tot 10 meter landinwaarts vanaf de bovenste rand van het talud van het oppervlaktewaterlichaam die gelegen is in het Vlaams Ecologisch Netwerk;
  • tot 10 meter landinwaarts vanaf de bovenste rand van het talud van het oppervlaktewaterlichaam, als een helling grenst aan het oppervlaktewaterlichaam.

Langs de oppervlaktewaterlichamen of waterlopen opgenomen in de Vlaamse Hydrografische Atlas (VHA) moet u een beschermingsstrook respecteren zoals ook opgenomen onder de norm ‘Bufferstroken langs waterlopen’ (GLMC 4):

Landinwaarts vanaf de bovenste rand van het talud, moet u dan de volgende bufferstroken respecteren:

  • Voor alle niet-nitraatgevoelige teelten (ongeacht het gebiedstype) of voor nitraatgevoelige teelten in gebiedstype 0 en 1:
    • 1 m teeltvrije strook;
    • 3 m strook met spontane vegetatie of een meerjarig buffergewas;
    • 3 m pesticidevrije strook;
    • 3 m bemestingsvrije strook (10 m indien een helling grenst aan de waterloop en in gebieden die behoren tot het Vlaams Ecologisch Netwerk). Bemesting is verboden, met uitzondering van bemesting door rechtstreekse uitscheiding bij begrazing op grasland;
  • Voor alle nitraatgevoelige teelten in gebiedstype 2 en 3 en voor zowel nitraatgevoelige als niet-nitraatgevoelige teelten in groene bestemmingen (bos, natuur en reservaat,…):
    • 1 m teeltvrije strook;
    • 5 m strook met spontane vegetatie of een meerjarig buffergewas;
    • 5 m pesticidevrije strook;
    • 5 m bemestingsvrije strook (10 m indien een helling grenst aan de waterloop en in gebieden die behoren tot het Vlaams Ecologisch Netwerk). Bemesting is verboden, met uitzondering van bemesting door rechtstreekse uitscheiding bij begrazing op grasland.

De oppervlaktewaterlichamen die als waterloop zijn opgenomen in de VHA, zijn op het e-loket in het blauw aangeduid en de oppervlaktewaterlichamen die geen deel uitmaken van het VHA-waterlopennetwerk zijn op het e-loket in het paars aangeduid.

Bij mestspreiding op drassig, ondergelopen, bevroren of besneeuwd land bestaat een groot risico dat de voedingsstoffen aanwezig in de mest afspoelen naar oppervlaktewateren. Daarom is het in die omstandigheden verboden mest op land te brengen.

Drassige gronden zijn plaatsen waar de grondwatertafel zich op het ogenblik van de bemesting op minder dan 20 cm onder het maaiveld bevindt.

Op landbouwgronden met een hellingsgraad van meer dan 8% moeten meststoffen op de volgende wijze op of in de bodem gebracht worden:

  • op beteelde hellingen is voor het op of in de bodem brengen van vloeibare dierlijke mest of vloeibare andere meststoffen, zode-injectie of mestinjectie verplicht;
  • op niet-beteelde hellingen is voor het op of in de bodem brengen van dierlijke mest, andere meststoffen en kunstmest, mestinjectie of directe onderwerking in één werkgang verplicht. In afwijking hiervan moeten vaste dierlijke mest, vaste andere meststoffen en kunstmest in vaste vorm binnen het uur na de aanwending ondergewerkt worden.

Het op of in de bodem brengen van kunstmest of dierlijke mest, met uitzondering van rechtstreekse uitscheiding door begrazing, is verboden op percelen landbouwgrond met een gemiddeld hellingspercentage hoger dan of gelijk aan 15 %.

Methoden voor het op of in de bodem brengen van meststoffen

Dierlijke mest en andere meststoffen moet u emissiearm op of in de bodem brengen. Dit betekent dat:

  • bij bemesting de toegediende meststoffen niet mogen afspoelen;
  • u zowel stalmest, champost als andere meststoffen, die arm zijn aan ammoniakale stikstof, binnen 24 uur na het opbrengen moeten inwerken. Deze verplichting geldt echter niet indien u stalmest of champost op grasland opbrengt;
  • u voor dierlijke mest en andere meststoffen die niet onder het bovenvermelde punt vallen, de volgende technieken moet toepassen:
  • voor grasland: zode-injectie, zodenbemester, sleepslang- en sleepvoettechniek of sleufkouter, wanneer grasland gescheurd wordt mogen de meststoffen ook onmiddellijk ingewerkt worden na het spreiden;
  • voor niet-beteelde landbouwgrond: mestinjectie of het in twee opeenvolgende werkgangen uitspreiden en inwerken van de mest, waarbij de mest onmiddellijk na het uitspreiden moet zijn ingewerkt op het perceel in kwestie. Onmiddellijk inwerken betekent dat het spreiden en inwerken van de meststoffen ofwel in één werkgang gebeurt, ofwel met twee vervoerscombinaties. Dat wil zeggen dat op hetzelfde perceel al een tweede vervoerscombinatie aanwezig is bij de start van het spreiden van de meststoffen, zodat onmiddellijk gestart kan worden met het onderwerken van de meststoffen nadat de eerste mesttank leeg is;
  • voor beteelde landbouwgronden andere dan grasland: mestinjectie, zodenbemester, sleufkouter of sleepslangtechniek;
  • u voor ureumhoudende kunstmest emissiearm moet toedienen, via onmiddellijk inwerken na spreiden, via injectie of door gebruik te maken van ureaseremmers.

Bij het opbrengen van kunstmest moet bij de buitenste werkgang het bemesten gebeuren met een kantenstrooier voor het opbrengen van vaste kunstmest, en met een toestel dat uitgerust is met een driftreducerende techniek voor het opbrengen van vloeibare kunstmest om te voorkomen dat er zo kunstmest buiten het bemestbare deel van het eigen perceel terechtkomt. 

Bijhouden van kunstmestregister

Kunstmest is elke stof die stikstof- of fosforverbindingen bevat en die op het land wordt gebruikt ter bevordering van de gewasgroei, en die met een industrieel proces vervaardigd werd, met inbegrip van het ammoniumsulfaat uit spuiwater (Art 3, §5 Mestdecreet). 

Het is verplicht een kunstmestregister bij te houden. In het gebruiksregister houdt u het gebruik van kunstmest op percelen in Vlaanderen bij alsook de gegevens van de meststof, datum van gebruik en identificatie van het perceel. U heeft tot en met de zevende dag van de maand tijd om uw gebruik (het opbrengen) van kunstmest van de vorige maand via het gebruiksregister op het Mestbankloket door te geven. 

Correcte mestbalans

De mestbalans is een instrument om na te gaan of de productie, het gebruik en de aan- en afvoer van meststoffen op een land- of tuinbouwbedrijf in evenwicht zijn. De Mestbank berekent de mestbalans van een productiejaar onder meer op basis van de gegevens in de mestbankaangifte, de verzamelaanvraag van het Agentschap Landbouw en Zeevisserij en de mesttransporten. Er wordt altijd een mestbalans opgemaakt voor stikstof én fosfaat. Een mestbalans kan pas berekend worden nadat het productiejaar voorbij is en als alle noodzakelijke gegevens definitief beschikbaar zijn bij de Mestbank. 

De Mestbank gebruikt de mestbalans in de risicoanalyse voor de selectie van bedrijven die worden onderworpen aan een doorlichting. Niet zozeer het eindresultaat van de mestbalans, maar vooral de interne samenhang van de verschillende elementen in de mestbalans is een belangrijk criterium. Als na een doorlichting blijkt dat een bedrijf nutriëntenverliezen heeft naar het milieu, kan de Mestbank boetes en/of maatregelen opleggen en kan een sanctie in het kader van de conditionaliteit toegepast worden.

Aandachtspunten

De Mestbank van de Vlaamse Landmaatschappij staat in voor de praktische uitvoering van het Mestdecreet. Voor meer informatie over de beheerseisen die voortvloeien uit het Mestdecreet kunt u steeds een beroep doen op de Mestbank.

Eind 2024 heeft het Vlaams Parlement een decreet aangenomen dat het decreet over het integraal waterbeleid en het Mestdecreet wijzigt. De wijzigingen hebben een belangrijke impact op de mestafzetruimte wat van invloed is op de mestbalans. Meer informatie over deze wijzigingen zijn terug te vinden op de website  van de VLM: Nieuwe mestmaatregelen vanaf 2026 | Vlaamse Landmaatschappij.

Deze decreetwijziging houdt in dat langs alle oppervlaktewaterlichamen opgenomen in de Vlaamse Hydrografische Atlas, beschermingsstroken moeten gerespecteerd worden zoals nader omschreven in deze fiche onder 1.7 en de fiche over de GLMC-norm ‘Bufferstroken langs waterlopen’ (GLMC 4).

Zowel via de verzamelaanvraag op het e-loket als met behulp van de LV-Agrilens-app of via het Geoloket Landbouw kunt u terugvinden tot welk gebiedstype volgens de mestwetgeving een bepaald perceel behoort. Daar vindt u ook de waterlopen terug die zijn opgenomen in de Vlaamse Hydrografische Atlas (VHA) via de laag ‘Waterloop (binnen VHA)’ als blauw gearceerde polygonen of blauwe stippellijnen.

naar boven

Delen: