Voedselveiligheid

Aanpassingen 14/04/2026: aanpassing onder punt 'Naleven van de voorschriften voor gebruik van gewasbeschermingsmiddelen en biociden'

Op deze pagina:

Verordening Voedselveiligheid (RBE 5) 

De doelstelling om de veiligheid van voedsel, dieren en planten in de voedselketen te vrijwaren is opgenomen in de Verordening (EG) nr. 178/2002 van het Europees Parlement en de Raad van 28 januari 2002 tot vaststelling van de algemene beginselen en voorschriften van de levensmiddelenwetgeving, tot oprichting van een Europese Autoriteit voor voedselveiligheid en tot vaststelling van procedures voor voedselveiligheidsaangelegenheden.

Deze fiche verduidelijkt welke maatregelen op basis van de verordening voedselveiligheid onder de conditionaliteit zullen opgevolgd worden. 

Samenvattende info:

  • Respecteer het verbod om levensmiddelen en diervoeders die ongeschikt zijn voor consumptie op de markt te brengen en te vervoederen
  • Leef de hygiënevoorschriften na
  • Leef de voorschriften voor gebruik van diergeneesmiddelen na
  • Leef de voorschriften voor gebruik van gewasbeschermingsmiddelen en biociden na
  • Respecteer de regels rond traceerbaarheid
  • De noden gekoppeld aan deze maatregel zijn terug te vinden in de tabel: ‘Noden volgens maatregelen’ op de pagina ‘Gebundelde fiches, tabellen, formulieren’. .

Verplichtingen in het kader van de verordening voedselveiligheid

Verbod om levensmiddelen en diervoeders die ongeschikt zijn voor consumptie op de markt te brengen en te vervoederen

Levensmiddelen mag u niet op de markt brengen wanneer ze onveilig zijn. Onveilige levensmiddelen zijn levensmiddelen die schadelijk zijn voor de gezondheid of die ongeschikt zijn voor menselijke consumptie.

Diervoeders mag u niet in de handel brengen of aan voedselproducerende dieren vervoederen wanneer ze onveilig zijn. Onveilige diervoeders zijn enerzijds diervoeders die beschouwd worden als producten met nadelige effecten op de dierlijke of menselijke gezondheid of anderzijds diervoeders die het levensmiddel geproduceerd uit de voedselproducerende dieren, onveilig voor menselijke consumptie maken. 

Wanneer de normen voor levensmiddelen en/of diervoerders in die mate overschreden worden dat er een gevaar is voor de menselijke gezondheid, worden ze uit de handel genomen. Indien de contaminatie zich voordoet op het niveau van het landbouwbedrijf, is er sprake van een niet-naleving van deze beheerseis.

Naleven van de algemene en specifieke hygiënevoorschriften

U moet ervoor zorgen dat de levensmiddelen en diervoeders in alle stadia van de productie, verwerking en distributie onder uw beheer voldoen aan de algemene hygiënevoorschriften. Hiervoor moet u afdoende maatregelen nemen om:

  • afval en gevaarlijke stoffen zo op te slaan en te hanteren dat verontreiniging voorkomen wordt;
  • rekening te houden met de resultaten van analyses van monsters van primaire producten of andere monsters die van belang zijn voor de voederveiligheid
  • toevoegingsmiddelen voor diervoeders en geneesmiddelen voor diergeneeskundig gebruik correct toe te passen overeenkomstig de wetgeving in kwestie;
  • gewasbeschermingsmiddelen correct toe te passen overeenkomstig de wetgeving in kwestie;
  • bijhouden van registers
    • over de aard en oorsprong van aan de dieren gevoerde diervoeders;
    • de voor de volksgezondheid belangrijke resultaten van analyses van bij de dieren genomen monsters of van andere monsters voor diagnosedoeleinden;
    • alle toepasselijke controles van dieren of producten van dierlijke oorsprong;
    • de resultaten van voor de volksgezondheid relevante analyses van bij planten genomen monsters of van andere monsters.

Voor bovenstaande geldt tevens dat beslagen die vatbaar zijn voor een van bovenstaande zoönoses en zoönoseverwekkers, regelmatig gecontroleerd worden in het kader van een door de bevoegde autoriteit erkend controleprogramma.

Bijkomende hygiënevoorschriften voor de primaire productie van diervoeders:

  • Diervoederbedrijven houden een register bij over het gebruik van genetisch gemodificeerd zaai- en pootgoed.
  • Diervoederbedrijven met handelingen in het stadium van de primaire productie van diervoeders zijn daarenboven verplicht om een voorafgaande erkenning als zelfmenger te hebben ingeval het voeder gemengd wordt met gebruikmaking van toevoegingsmiddelen of voormengsels van toevoegingsmiddelen. Deze mogen uitsluitend voor eigen gebruik aangewend worden.
  • Veehouders dienen het diervoeder bestemd voor voedselproducerende dieren gescheiden van chemische stoffen en andere voor diervoeder verboden producten op te slaan.
  • Gemedicineerde en niet-gemedicineerde diervoeders, bestemd voor verschillende diersoorten of diercategorieën worden op zodanige manier opgeslagen dat het risico van voedering aan dieren waarvoor zij niet bestemd zijn, wordt voorkomen. Niet-gemedicineerde diervoeders worden gescheiden van gemedicineerde diervoeders gehanteerd om verontreiniging te voorkomen.
  • Veehouders gebruiken alleen diervoeders van inrichtingen die geregistreerd en/of erkend zijn.

Voor de productie van rauwe melk gelden de volgende specifieke hygiënebepalingen. Rauwe melk moet afkomstig zijn van dieren die brucellose- en tuberculosevrij zijn en tevens:

  • die in een goede algemene gezondheidstoestand verkeren, geen ziekteverschijnselen vertonen die zouden kunnen resulteren in besmetting van de melk en, in het bijzonder, niet lijden aan aandoeningen van de voortplantingsorganen waarbij afscheiding plaatsvindt, aan darmontsteking waarbij diarree en koorts optreden of aan een zichtbare uierontsteking;
  • die geen uierletsels vertonen waardoor de melk kan worden aangetast;
  • waaraan geen verboden stoffen of producten zijn toegediend of die geen illegale behandeling in de zin van Richtlijn 96/23/EG hebben ondergaan;
  • waarvoor in het geval van toediening van toegestane stoffen of producten de daarvoor voorgeschreven wachttijd in acht is genomen.

Verdere hygiënevoorschriften voor melkproducenten:

  • De melkinstallaties en de lokalen waar de melk opgeslagen, behandeld of gekoeld wordt, moeten zo gelegen of gebouwd zijn zodat het gevaar voor verontreiniging van de melk zo veel als mogelijk wordt beperkt.
  • De lokalen waar de melk wordt opgeslagen, moeten beschermd zijn tegen ongedierte, goed zijn afgescheiden van de lokalen waar de dieren worden gehuisvest en indien nodig om te kunnen voldoen aan de voorschriften van zesde punt, voorzien zijn van adequate koelapparatuur.
  • Oppervlakten van materieel die bestemd zijn om met melk in contact te komen (gereedschappen, recipiënten, tanks die bestemd zijn voor melken, ophalen of vervoer) moeten gemakkelijk te reinigen en zo nodig te ontsmetten zijn en goed worden onderhouden. Dat houdt in dat glad, afwasbaar en niet-toxisch materiaal wordt gebruikt.
  • Na gebruik moeten dergelijke oppervlakte gereinigd en zo nodig ontsmet worden. Na elke rit of na elke serie van ritten wanneer het tijdsverloop tussen het lossen en opnieuw laden zeer kort is, maar in elk geval ten minste eenmaal per dag, moeten recipiënten en tanks die worden gebruikt voor het vervoer van rauwe melk worden gereinigd en op passende wijze ontsmet alvorens opnieuw te worden gebruikt.
  • Het melken moet onder hygiënische omstandigheden gebeuren en er moet in het bijzonder worden op toegezien dat voordat met het melken wordt begonnen, de tepels, de uier en de nabijgelegen delen schoon zijn en dat dieren die een behandeling hebben ondergaan waardoor residuen van geneesmiddelen in de melk kunnen terechtkomen, kunnen worden opgespoord en dat van zulke dieren verkregen melk voor het verstrijken van de voorgeschreven wachttijd niet voor menselijke consumptie wordt gebruikt.
  • Na het melken moet de melk onmiddellijk worden opgeslagen in een schoon lokaal dat is ontworpen en uitgerust om verontreiniging te voorkomen. De melk moet onmiddellijk tot ten hoogste 8°C worden gekoeld wanneer de melk dagelijks wordt opgehaald en tot ten hoogste 6°C wanneer dit niet het geval is. Exploitanten van levensmiddelenbedrijven behoeven niet te voldoen aan deze temperatuurvoorschriften indien de melk voldoet aan de kwaliteitscriteria voor rauwe melk wat betreft het kiemgetal en het gehalte aan antibioticaresiduen én indien de melk binnen twee uur na het melken wordt verwerkt of een hogere temperatuur noodzakelijk is om technologische redenen in verband met de vervaardiging van sommige zuivelproducten en de bevoegde autoriteit dat toestaat.

Verdere hygiënevoorschriften voor eierproducenten:

  • Eieren moeten op het bedrijf van de producent schoon, droog en vrij van vreemde geuren worden gehouden en op afdoende wijze worden beschermd tegen schokken en rechtstreeks zonlicht.

Naleven van de voorschriften en het bijhouden van het gebruik van diergeneesmiddelen

Het bijhouden van een register met de toegediende diergeneesmiddelen voor gebruik of andere behandelingen die de dieren hebben ondergaan, data van toediening of behandelingen valt onder het naleven van de voorschriften voor gebruik van diergeneesmiddelen. De veehouder houdt per diersoort een register bij dat zowel een deel bevat voor de inkomende geneesmiddelen als een deel voor de uitgaande geneesmiddelen. Het inkomend register bevat chronologisch gerangschikt alle toedienings- en verschaffingsdocumenten en de voorschriften van de dierenarts. Dit kan zowel elektronisch als op papier. In het uitgaand register houdt de veehouder de informatie bij van elke behandeling die hijzelf uitvoert. Meer informatie over het bijhouden van het diergeneesmiddelregister is terug te vinden in de brochure: ’De strijd tegen antibioticaresistentie en nieuwe wetgeving betreffende de voorwaarden voor het gebruik van diergeneesmiddelen’. Deze brochure kan gedownload worden op de website van het Federaal Agentschap voor de Veiligheid van de Voedselketen (FAVV).

Naleven van de voorschriften voor gebruik van gewasbeschermingsmiddelen en biociden (1)

Vanaf 1 januari 2026 omvat het registreren van elk gebruik van de gewasbeschermingsmiddelen de volgende gegevens (zie www.fytoweb.be):

  • de naam van het gebruikte gewasbeschermingsmiddel en het toelating- of vergunningsnummer;
  • het tijdstip van de toepassing;
  • het gewas waarop het gewasbeschermingsmiddel werd gebruikt, de naam van het gewas;
  • de plaatsaanduiding van het behandelde gewas;
  • de toegepaste dosis;
  • het type gebruik (behandeling van oppervlakken, gesloten ruimten of zaden);
  • de omvang van het behandelde gebied of de hoeveelheid van de behandelde eenheid (bv. het aantal hectaren of de hoeveelheid behandelde zaden),
  • het groeistadium van het gewas, indien van toepassing
  • het starttijdstip van de behandeling, indien relevant
  • de referentie van het perceel.

Enkel toegelaten biociden mogen gebruikt worden (zie www.biocide.be) en elk gebruik van biociden wordt bijgehouden in een register met volgende gegevens

  • het type behandelde uitrusting zoals machines, palletkisten en andere recipiënten, opslageenheid, voertuigen, infrastructuur;
  • de gebruiksdatum;
  • de volledige handelsnaam met het toelatingsnummer van het aangewende biocide;
  • de gebruikte dosis.

Traceerbaarheid

Iedere landbouwer moet beschikken over een systeem waarmee hij alle gegevens betreffende de inkomende en uitgaande producten kan aantonen. De inkomende producten betreffen plantaardig en dierlijk vermeerderingsmateriaal, gewasbeschermingsmiddelen en biociden, meststoffen, diervoeders, diergeneesmiddelen, en levende dieren. De uitgaande producten zijn alle plantaardige en dierlijke producten, plantaardig en dierlijk vermeerderingsmateriaal, alsook levende dieren. Er zijn geen specifieke bepalingen over hoe de gegevens betreffende de inkomende en uitgaande producten er moeten uitzien. Dit kan gebeuren aan de hand van facturen, leveringsbonnen, registers, teeltfiches… De minimale gegevens die de landbouwer moet kunnen aantonen zijn: 

  • een aanduiding van de aard en identificatie van het product;
  • de hoeveelheid;
  • de datum van ontvangst of levering;
  • de naam van de ontvanger of leverancier. 

De producten die de landbouwer op de hoeve rechtstreeks aan de consument verkoopt, vallen niet onder de verplichting tot het bijhouden van de gegevens over uitgaande producten.

naar boven

Hormonenrichtlijn (RBE 6) 

De Belgische hormonenwet zorgt voor de omzetting van de richtlijn 96/22/EG over het verbod op het gebruik, in de veehouderij, van bepaalde stoffen met hormonale werking en van bepaalde stoffen met thyreostatische werking, alsmede van β-agonisten.

Deze fiche verduidelijkt welke maatregelen op basis van de Hormonenrichtlijn onder de conditionaliteit zullen opgevolgd worden.

Samenvattende info:

  • Respecteer het verbod op het gebruik van hormonen.
  • De noden gekoppeld aan deze maatregel zijn terug te vinden in de tabel: ‘Noden volgens maatregelen’ op de pagina ‘Gebundelde fiches, tabellen, formulieren’. 

Verplichtingen in het kader van de HORMONENRICHTLIJN

Verbod op het gebruik van hormonen respecteren

Het is verboden om:

  • bepaalde stoffen met hormonale of thyreostatische werking en β-agonisten toe te dienen aan landbouwhuisdieren;
  • deze stoffen op uw bedrijf te bewaren;
  • landbouwhuisdieren waarin deze stoffen aanwezig zijn op uw bedrijf te houden, behalve onder officiële controle;
  • die landbouwhuisdieren in de handel te brengen of te slachten voor menselijke consumptie;
  • het vlees van die dieren in de handel te brengen;
  • dat vlees te verwerken.

Alleen in bepaalde gevallen, zoals bij de toediening voor therapeutische of zoötechnische doeleinden, kunnen soms uitzonderingen toegestaan worden.

naar boven

Delen: