Dierenwelzijn (RBE 9, 10, 11)
Het verbeteren van het dierenwelzijn behoort tot de specifieke doelstellingen van het gemeenschappelijk landbouwbeleid waarmee het beleid beter wil inspelen op de maatschappelijke verwachtingen wat voedsel en gezondheid betreft. Landbouwers kunnen hieraan bijdragen door dierenwelzijnsnormen na te leven die zijn opgenomen in de Belgische wetgeving die uitvoering geeft aan de richtlijn 2008/119/EG tot vaststelling van minimumnormen ter bescherming van kalveren (RBE 9), de richtlijn 2008/120/EG tot vaststelling van minimumnormen ter bescherming van varkens (RBE 10) en de richtlijn 98/58/EG inzake de bescherming van voor landbouwdoeleinden gehouden dieren (RBE 11).
Deze fiche verduidelijkt welke de maatregelen op basis van de dierenwelzijnsrichtlijnen onder de conditionaliteit zullen opgevolgd worden.
Samenvattende info:
Respecteer de dierenwelzijnsnormen die zijn vastgesteld voor:
- Kalveren
- Varkens
- Landbouwhuisdieren
- De noden gekoppeld aan deze maatregel zijn terug te vinden in de tabel: ‘Noden volgens maatregelen’ op de webpagina 'Tabellen'.
Naleven dierenwelzijn kalveren (RBE 9)
- Voor bedrijven waar kalveren (= runderen van ten hoogste zes maanden) gehouden worden, gelden de volgende voorschriften:
- kalveren van meer dan acht weken mogen niet in een individueel hok worden opgesloten, tenzij een dierenarts heeft verklaard dat het dier in verband met zijn gezondheid of zijn gedrag moet worden geïsoleerd om te worden behandeld. De breedte van elk individueel hok moet ten minste gelijk zijn aan de schofthoogte van het kalf, gemeten terwijl het dier rechtop staat, en de lengte moet ten minste gelijk zijn aan de lengte van het kalf, gemeten van de neuspunt tot aan de achterkant van de zitbeenknobbel (tuber ischii) en vermenigvuldigd met 1,1.
Een individueel hok voor kalveren (behalve de hokken voor het isoleren van zieke dieren) mag niet voorzien zijn van muren, maar moet bestaan uit open afscheidingen die een direct visueel en lichamelijk contact tussen de kalveren mogelijk maakt. - in groepen gehouden kalveren moeten elk over een vrije ruimte beschikken die ten minste gelijk is aan 1,5 m2 voor kalveren met een levend gewicht van minder dan 150 kg, 1,7 m2 voor kalveren met een levend gewicht van meer dan 150 kg, maar minder dan 220 kg, en 1,8 m2 voor kalveren met een levend gewicht van meer dan 220 kg.
Deze bepalingen zijn niet van toepassing op:- bedrijven met minder dan 6 kalveren;
- kalveren die door hun moeder gezoogd worden.
- kalveren van meer dan acht weken mogen niet in een individueel hok worden opgesloten, tenzij een dierenarts heeft verklaard dat het dier in verband met zijn gezondheid of zijn gedrag moet worden geïsoleerd om te worden behandeld. De breedte van elk individueel hok moet ten minste gelijk zijn aan de schofthoogte van het kalf, gemeten terwijl het dier rechtop staat, en de lengte moet ten minste gelijk zijn aan de lengte van het kalf, gemeten van de neuspunt tot aan de achterkant van de zitbeenknobbel (tuber ischii) en vermenigvuldigd met 1,1.
- De stallen voor kalveren moeten zodanig gebouwd en ingericht zijn dat elk kalf ongehinderd kan liggen, rusten, opstaan en zich likken.
- De materialen gebruikt voor de bouw van stallen, boxen en uitrusting, waarmee de kalveren in aanraking kunnen komen, mogen niet schadelijk zijn voor de kalveren en moeten grondig gereinigd en ontsmet kunnen worden. De kalveren mogen er zich niet kunnen aan kwetsen.
- De vloeren moeten een stevige, vlakke en stabiele oppervlakte vormen die stroef is maar zonder scherpe uitsteeksels. Zij moeten aangepast zijn aan het gewicht en de grootte van de kalveren. De ligruimte moet behoorlijk gedraineerd, zindelijk en comfortabel zijn. Voor kalveren jonger dan twee weken moet strooisel gebruikt worden.
- Kalveren mogen niet worden aangebonden tenzij het gaat om in groep gehuisveste kalveren die voor ten hoogste één uur mogen worden aangebonden tijdens het verstrekken van melk of melkvervanger. Wanneer aanbindsystemen gebruikt worden, mogen ze geen verwondingen veroorzaken en moeten ze regelmatig geïnspecteerd en bijgesteld worden, zodat ze gemakkelijk zitten. Elk aanbindsysteem moet zo zijn ontworpen dat de kans op wurging en verwonding vermeden wordt en dat het kalf zich kan bewegen zoals aangegeven in punt 2.
- Voeder- en drinkinstallaties moeten zo ontworpen, gebouwd, geplaatst en onderhouden worden dat het risico op verontreiniging van voeder of water beperkt wordt.
- Door middel van isolatie, verwarming en ventilatie van het gebouw moet ervoor worden gezorgd dat de luchtcirculatie, het stofgehalte van de lucht, de temperatuur, de relatieve luchtvochtigheid en de gasconcentraties binnen zodanige grenzen gehouden worden dat zij niet schadelijk zijn voor de kalveren.
- Bij gebruik van kunstmatige ventilatie moet voor een noodvoorziening worden gezorgd, zodat er, wanneer het systeem uitvalt, toch voldoende verse lucht aangevoerd wordt om de gezondheid en het welzijn van de kalveren veilig te stellen en moet er een alarmsysteem aanwezig zijn om de veehouder te waarschuwen wanneer het systeem uitvalt. Het alarmsysteem moet regelmatig getest worden.
- Alle automatische of mechanische apparatuur die noodzakelijk is voor de gezondheid en het welzijn van de kalveren moet ten minste eenmaal per dag geïnspecteerd worden. Indien er defecten zijn moeten deze onmiddellijk worden hersteld en indien dat niet mogelijk is, moeten de nodige maatregelen worden getroffen om de gezondheid en het welzijn van de kalveren te beschermen totdat het defect is hersteld, met name door de toepassing van andere voedermethoden en het handhaven van een acceptabel leefklimaat.
- Elektrische leidingen en apparaten moeten geïnstalleerd en onderhouden worden in overeenstemming met de bepalingen van het koninklijk besluit van 10 maart 1981 waarbij het Algemeen Reglement op de elektrische installaties voor huishoudelijke installaties en sommige lijnen van transport en verdeling van elektrische energie bindend worden verklaard.
- De kalveren mogen niet voortdurend in het duister gehouden worden. Daartoe moet er voor passend dag- en kunstlicht gezorgd worden. Wordt er kunstlicht gebruikt, dan moet dit ten minste zolang branden als er tussen 9 en 17 uur daglicht is. Er moet een vaste of verplaatsbare verlichtingsbron van voldoende sterkte aanwezig zijn om de kalveren te allen tijde te kunnen inspecteren.
- Voor de verzorging van de kalveren moet voldoende en bekwaam personeel ter beschikking zijn om ziekte en gedragsveranderingen bij de dieren vast te stellen en om te oordelen of de omgevingsfactoren voldoen om de gezondheid en het welzijn van de kalveren te waarborgen.
- De eigenaar of de voor de dieren verantwoordelijke persoon moet op stal gehouden kalveren ten minste tweemaal per dag inspecteren en in open lucht gehouden kalveren ten minste eenmaal per dag. Kalveren die ziek of gewond lijken, moeten onmiddellijk op passende wijze worden verzorgd. Zieke en gewonde kalveren moeten zo nodig kunnen worden afgezonderd in adequate lokalen met droog en comfortabel strooisel.
Wanneer de kalveren niet reageren op de door eigenaar of houder verstrekte zorgen, moet zo spoedig mogelijk een dierenarts worden geraadpleegd zonder afbreuk te doen van de bepalingen van de dierengezondheidswet van 24 maart 1987 en van de wet van 28 augustus 1991 op de uitoefening van de diergeneeskunde alsook van hun uitvoeringsbesluiten. - Alle kalveren moeten kunnen beschikken over voeder dat is afgestemd op hun leeftijd en gewicht en dat beantwoordt aan op de met hun gedrag samenhangende en hun fysiologische behoeften, ten einde een goede gezondheid en welzijn van de kalveren te bevorderen. Daarom moet het voeder voldoende ijzer bevatten om een gemiddeld hemoglobinegehalte van ten minste 4,5 mmol/l te bereiken en moeten kalveren van meer dan twee weken een bepaalde minimumhoeveelheid vezelhoudend voeder per dag krijgen, waarbij de hoeveelheid moet opgedreven worden van 50 g tot 250 g per dag voor kalveren van 8 tot 20 weken oud.
- De kalveren moeten ten minste tweemaal daags gevoederd worden. Kalveren in groepshokken moeten, behalve bij ad libitum voedering of bij voedering via een automatisch voedersysteem, allemaal tegelijk kunnen eten. Kalveren mogen niet gemuilkorfd worden.
- Kalveren ouder dan twee weken moeten over voldoende vers water beschikken of hun dorst met andere vloeistoffen kunnen lessen. Evenwel moet in zeer warme omstandigheden en voor zieke kalveren steeds vers drinkwater ter beschikking zijn.
- Alle kalveren moeten zo vlug mogelijk na hun geboorte en in elk geval binnen de eerste 6 levensuren rundercolostrum toegediend worden.
- Stallen, uitrusting en gereedschap moeten op gepaste wijze worden gereinigd en ontsmet om kruisbesmetting en ziekteverwekkers te voorkomen.
- Uitwerpselen, urine en niet opgegeten of gemorst voeder moeten zo vaak mogelijk worden verwijderd om de reuk zo gering mogelijk te houden en geen vliegen en knaagdieren aan te trekken.
Naleven dierenwelzijn varkens (RBE 10)
Varkens in varkensbedrijven moeten gehouden en verzorgd worden overeenkomstig de volgende bepalingen:
- Minimumvoorschriften voor oppervlakte en vloeren
- Onverminderd de bepalingen van punt 5 moet voor elk gespeend varken of gebruiksvarken dat in een groep wordt gehouden, met uitzondering van gelten en zeugen na inseminatie, een vrije vloerruimte beschikbaar zijn van minstens:
|
Levend gewicht (kg) |
Minimum vloerruimte (m2) |
|---|---|
|
tot 10 |
0,15 |
|
van 10 tot 20 |
0,20 |
|
van 20 tot 30 |
0,30 |
|
van 30 tot 50 |
0,40 |
|
van 50 tot 85 |
0,55 |
|
van 85 tot 110 |
0,65 |
|
meer dan 110 |
1,00 |
-
- Indien voor de varkens, bedoeld in punt a), en de biggen betonnen roostervloeren worden gebruikt:
- is de maximale grootte van de spleetbreedte:
- 11 mm voor biggen;
- 14 mm voor gespeende varkens;
- 18 mm voor gebruiksvarkens;
- is de minimale balkbreedte:
- 50 mm voor biggen en gespeende varkens;
- 80 mm voor gebruiksvarkens.
- is de maximale grootte van de spleetbreedte:
- Indien voor de varkens, bedoeld in punt a), en de biggen betonnen roostervloeren worden gebruikt:
- Huisvesting van gelten en zeugen
- Zeugen en gelten moeten in groepen gehouden worden vanaf vier weken na de inseminatie tot één week vóór de verwachte werpdatum. De zijden van de box waarin de groep wordt gehouden, moeten langer zijn dan 2,8 m. Indien minder dan zes dieren in een groep worden gehouden, moeten de zijden van de box waarin de groep wordt gehouden langer zijn dan 2,4 m.
- In afwijking van de bepalingen in punt a) mogen zeugen en gelten die in bedrijven met minder dan 10 zeugen worden gehouden, tijdens de in punt a) bedoelde periode apart worden gehouden, mits zij zich gemakkelijk in de box kunnen omdraaien.
- Voor elke in groep gehouden gelt en zeug na inseminatie moet de totale vrije vloerruimte respectievelijk minimaal 1,64 m2 en 2,25 m2 bedragen. Indien deze dieren in groepen van minder dan zes individuen worden gehouden, moet de vrije vloerruimte worden vergroot met 10%. Indien deze dieren in groepen van ten minste 40 worden gehouden, mag de vrije vloerruimte worden verkleind met 10%.
- Een deel van de in punt c) voorgeschreven ruimte, dat minimaal 0,95 m2 per gelt en 1,3 m2 per zeug bedraagt, moet bestaan uit een dichte vloer waarvan maximaal 15% bestaat uit afvoergaten. Bij het gebruik van betonnen roostervloeren moet de balkbreedte ten minste 80 mm bedragen en de spleetbreedte ten hoogste 20 mm.
- Het bouwen of het installeren van aanbindsystemen voor zeugen en gelten is verboden.
- Het aanbinden van zeugen en gelten is verboden.
- Onverminderd de eisen die zijn vastgesteld in punt 4. d) moeten zeugen en gelten permanent kunnen beschikken over los materiaal dat ten minste voldoet aan de desbetreffende eisen van punt 4. d).
- Teneinde hun honger te verminderen en in de behoefte tot kauwen te voorzien, moeten alle guste en drachtige zeugen en gelten een toereikende hoeveelheid bulk of vezelrijk voer en energierijk voer krijgen.
- Het voedersysteem voor zeugen en gelten in groepshuisvesting moet waarborgen dat ieder dier voldoende voedsel tot zich kan nemen, zelfs in aanwezigheid van concurrenten.
- Algemene bepalingen
- Varkens die in groepen moeten worden gehouden maar buitengewoon agressief zijn, door andere varkens zijn aangevallen of ziek of gewond zijn, mogen tijdelijk worden opgesloten in een aparte box. In dat geval moet het dier zich in die aparte box gemakkelijk kunnen omdraaien, voor zover dat niet in strijd is met specifiek veterinair advies.
- Varkens die buiten gehouden worden, moeten beschikken over een beschutting tegen ongunstige weersomstandigheden.
- Eenieder die personen in dienst heeft of neemt om varkens te verzorgen ziet erop toe dat deze personen instructies en richtsnoeren hebben gekregen inzake de bepalingen over dierenwelzijn.
- Algemene voorwaarden ter bescherming van varkens in varkenshouderijen
- In het gedeelte van het gebouw waar varkens worden gehouden, moet een continu geluidsniveau van 85 dBA of hoger worden vermeden. Constant of plotseling lawaai moet worden vermeden.
- In de ruimten waar varkens worden gehouden, moet de lichtintensiteit ten minste 40 lux bedragen gedurende ten minste 8 uur per dag.
Teneinde natuurlijke lichtval toe te laten moeten in elke varkensstal gebouwd na 1 januari 2003 lichtdoorlatende openingen in dak en/of muren voorzien worden, waarvan de totale oppervlakte niet kleiner mag zijn dan 3% van de vloeroppervlakte. - De varkensstallen moeten zo zijn gebouwd dat de varkens:
- toegang hebben tot een schone ligruimte met een comfortabele afwerking en temperatuur en met een adequate waterafvoer, waar alle dieren tegelijk kunnen liggen;
- kunnen rusten en normaal kunnen opstaan;
- andere varkens kunnen zien; in de laatste week vóór het werpen en tijdens het werpen mogen zeugen en gelten echter uit het zicht van soortgenoten worden gehouden.
- Onverminderd punt 2. g), moeten de varkens permanent kunnen beschikken over voldoende materiaal om te onderzoeken en mee te spelen, bv. stro, hooi, hout, zaagsel, compost van champignons, turf of een mengsel daarvan, voor zover de gezondheid van de dieren daardoor niet in gevaar komt.
- De vloeren moeten vlak maar niet glibberig zijn om te voorkomen dat de dieren zich verwonden, en moeten zo zijn ontworpen, uitgevoerd en onderhouden dat zij bij de dieren geen letsels of pijn veroorzaken. Zij moeten aangepast zijn aan het gewicht en de grootte van de dieren en moeten, wanneer geen strooisel wordt verstrekt, een stevig, vlak en stabiel oppervlak vormen.
- Alle varkens moeten ten minste eenmaal per dag worden gevoederd. Wanneer varkens in groep worden gevoederd en niet ad libitum of via een automatisch individueel voedersysteem, moeten zij allemaal tegelijk kunnen eten.
- Varkens van meer dan twee weken oud moeten permanent over voldoende vers water kunnen beschikken.
- Het couperen van staarten en het verkleinen van de hoektanden mogen niet als routinemaatregel worden uitgevoerd, maar alleen wanneer bepaalde kwetsuren van spenen bij zeugen of van oren en staarten bij andere varkens zijn geconstateerd. Vóórdat tot deze ingrepen wordt besloten, moeten maatregelen worden getroffen om staartbijten en andere gedragsstoornissen te voorkomen, de omgeving en de varkensdichtheid in aanmerking genomen. Hiertoe moeten ontoereikende omgevingsfactoren of beheerssystemen worden aangepast.
- De slagtanden van beren mogen worden ingekort om verwondingen bij andere dieren te voorkomen of om veiligheidsredenen.
De hierboven beschreven ingrepen (h, i) mogen alleen worden uitgevoerd door een dierenarts of een persoon die een bedoelde opleiding heeft gekregen en die ervaren is in het uitvoeren van deze ingrepen met adequate hulpmiddelen en onder hygiënische omstandigheden. Het castreren en het couperen van de staart bij dieren die ouder zijn dan zeven dagen, zijn alleen toegestaan als een dierenarts de ingrepen onder anesthesie en met aanvullende langdurige analgesie uitvoert. - Lokalen, hokken, uitrusting en gereedschap voor varkens moeten op passende wijze worden gereinigd en ontsmet ten einde kruiscontaminatie en ziekteverwekkers te voorkomen.
- Het opvangen, opslaan en behandelen van de mest op de bedrijven moet op zodanige manier gebeuren dat de varkens niet blootgesteld worden aan gassen zoals ammoniak, koolzuur, H2S en CO in concentraties die schadelijk zijn voor hun gezondheid.
- Bijzondere voorschriften voor de verschillende categorieën varkens
- Beren
- De berenhokken moeten zo gelegen en gebouwd zijn dat de beer zich kan omdraaien en de andere varkens kan horen, ruiken en zien. Verder moet een volwassen beer over een vrije vloeroppervlakte van ten minste 6 m2 kunnen beschikken.
- Wanneer het hok tevens wordt gebruikt voor het dekken, moet een volwassen beer over een vrije vloeroppervlakte van ten minste 10 m2 kunnen beschikken en moet het hok volledig vrij zijn van obstakels.
- Een deel van de totale vloeroppervlakte dat groot genoeg is voor de beer om te liggen moet bestaan uit een dichte vloer of moet worden voorzien van een mat of stro of ander geschikt materiaal.
- Zeugen en gelten
- Er moeten maatregelen worden getroffen om de agressie in groepen zoveel mogelijk te beperken, door zoveel mogelijk te werken met stabiele groepen.
- Drachtige zeugen en gelten moeten zo nodig tegen uitwendige en inwendige parasieten worden behandeld. Drachtige zeugen en gelten moeten, voordat zij in het kraamhok worden gebracht, grondig worden schoongemaakt.
- In de laatste week vóór het werpen moeten zeugen en gelten over voldoende en adequaat nestmateriaal kunnen beschikken, tenzij dat met de op het bedrijf gebruikte mengmestmethode technisch niet uitvoerbaar is.
- Achter de zeug of gelt moet een vrije ruimte zijn om het natuurlijke of begeleide werpen te vergemakkelijken.
- Kraamhokken waarin de zeugen zich vrij kunnen bewegen, moeten voorzien zijn van een bescherming voor de biggen, bv. een zeugenbeugel.
- Biggen
- Een deel van de totale vloeroppervlakte dat groot genoeg is om alle dieren tegelijk te laten rusten, moet bestaan uit een dichte vloer of een mat, of moet worden voorzien van stro of ander geschikt materiaal.
- Wanneer een kraamhok wordt gebruikt, moeten de biggen voldoende ruimte hebben om ongehinderd te kunnen zuigen.
- Biggen mogen niet worden gespeend voordat zij 28 dagen oud zijn, tenzij het welzijn of de gezondheid van de zeug of van de biggen anders in het gedrang komen. Biggen mogen evenwel ten hoogste zeven dagen vroeger worden gespeend wanneer zij naar gespecialiseerde voorzieningen worden gebracht die volledig worden leeggemaakt en grondig worden gereinigd en ontsmet vóórdat een nieuwe groep wordt binnengebracht en die gescheiden zijn van de voorzieningen waar zeugen worden gehouden, dit alles om het overdragen van ziekten op de biggen zo veel mogelijk te beperken.
- Gespeende biggen en opfokvarkens
- Als varkens in groep worden gehouden, moeten maatregelen worden genomen om van het normale gedrag afwijkende gevechten te voorkomen.
- De dieren moeten worden gehouden in groepen waaraan zo weinig mogelijk dieren mogen worden toegevoegd eenmaal de groepen gevormd zijn. Het in groepen plaatsen van varkens moet zo vlug mogelijk gebeuren, bij voorkeur vóór of anders ten hoogste één week na het spenen. Als varkens aan een groep moeten worden toegevoegd, moeten zij voldoende mogelijkheden hebben om aan de andere varkens te ontsnappen en zich voor hen te verbergen.
- Bij tekenen van ernstige gevechten moeten de oorzaken hiervan onmiddellijk worden onderzocht en moeten passende maatregelen worden genomen, zoals het eventueel verstrekken van stro aan de dieren of van ander materiaal om te onderzoeken. Dieren die worden bedreigd of bijzonder agressieve dieren moeten van de groep worden gescheiden overeenkomstig de bepalingen van punt 3. a).
- Het systematisch toedienen van kalmeermiddelen om het toevoegen van dieren aan een groep te vergemakkelijken, is verboden. Het is slechts toegestaan in uitzonderlijke gevallen en op advies van een dierenarts.
- Beren
Naleven dierenwelzijn alle landbouwhuisdieren (RBE 11)
Landbouwhuisdieren andere dan vissen, reptielen of amfibieën moeten worden gefokt en gehouden onder voorwaarden die stroken met de hierna vermelde bepalingen, met inachtneming van de soort en de graad van ontwikkeling, aanpassing en domesticering, alsmede de uit ervaring of wetenschappelijk onderzoek gebleken fysiologische en ethologische behoeften.
- Personeel
De dieren moeten worden verzorgd door een voldoende aantal personen die over de nodige vaardigheden, kennis en vakbekwaamheid beschikken. - Controles
- Alle dieren die worden gehouden in veehouderijsystemen waar hun welzijn afhangt van frequente verzorging door de mens, moeten ten minste eenmaal per dag worden gecontroleerd. Dieren die in andere systemen worden gehouden, moeten zo vaak worden gecontroleerd dat lijden wordt voorkomen.
- Er moet voldoende (vaste of draagbare) verlichting zijn voor een grondige controle van de dieren op elk willekeurig tijdstip.
- Dieren die ziek of gewond lijken, moeten onmiddellijk op passende wijze worden verzorgd, en wanneer die zorg geen verbetering in de toestand van het dier brengt, moet zo spoedig mogelijk een dierenarts worden geraadpleegd. Zieke of gewonde dieren moeten zo nodig worden afgezonderd in een passend onderkomen met, in voorkomend geval, gerieflijk, droog ligstro.
- Bijhouden van een register
- De eigenaar of houder van de dieren moet een register bijhouden van de verstrekte medische zorg en het bij iedere controle geconstateerde aantal sterfgevallen. Indien gelijkwaardige gegevens voor andere doeleinden moeten worden bijgehouden, kan daarmee ook voor de doeleinden van deze richtlijn worden volstaan.
- Het register moet ten minste drie jaar worden bewaard en desgevraagd, alsmede bij de controles, aan de bevoegde overheid worden voorgelegd.
- Bewegingsvrijheid
De bewegingsvrijheid die past bij het dier, met inachtneming van de soort en in overeenstemming met de bestaande ervaring en de wetenschappelijke kennis, mag niet op zodanige wijze worden beperkt dat het dier daardoor onnodig lijden of letsel wordt toegebracht. Wanneer een dier permanent of geregeld wordt aangebonden, vastgeketend of geïmmobiliseerd, moet het voldoende ruimte worden gelaten voor zijn fysiologische en ethologische behoeften, overeenkomstig de bestaande ervaring en de wetenschappelijke kennis. - Gebouwen en behuizing
- De materialen die worden gebruikt voor de behuizing, met name de bouw van de hokken en de uitrusting waarmee de dieren in aanraking kunnen komen, mogen niet schadelijk zijn voor de dieren en moeten grondig gereinigd en ontsmet kunnen worden.
- Behuizing en inrichtingen voor de beschutting van dieren moeten zodanig geconstrueerd zijn en in een zodanige staat van onderhoud verkeren dat er geen scherpe randen of uitsteeksels zijn die de dieren kunnen verwonden.
- De luchtcirculatie, het stofgehalte van de lucht, de temperatuur, de relatieve luchtvochtigheid en de gasconcentraties moeten binnen zodanige grenzen worden gehouden dat zij niet schadelijk zijn voor de dieren.
- In gebouwen gehouden dieren mogen niet voortdurend in het duister worden gehouden of in kunstlicht verblijven zonder dat dit voor een passende periode wordt uitgeschakeld. Indien het beschikbare natuurlijke licht niet voldoende is voor de ethologische en fysiologische behoeften van de dieren, moet geschikt kunstlicht aanwezig zijn.
- Niet in gebouwen gehouden dieren
Dieren die niet in gebouwen gehouden worden, moeten zo nodig voor zover mogelijk beschermd worden tegen slechte weersomstandigheden, roofdieren en gezondheidsrisico’s. - Automatische of mechanische apparatuur
Alle automatische of mechanische apparatuur die noodzakelijk is voor de gezondheid en het welzijn van de dieren moet ten minste eenmaal per dag worden gecontroleerd. Defecten moeten onmiddellijk worden hersteld; indien dat niet mogelijk is, moeten de nodige maatregelen worden getroffen om de gezondheid en het welzijn van de dieren veilig te stellen. Indien gezondheid en welzijn van de dieren afhankelijk zijn van een kunstmatig ventilatiesysteem, moet dat voorzien zijn van een passend noodsysteem waarmee voldoende verse lucht kan worden aangevoerd om de gezondheid en het welzijn van de dieren te waarborgen als het hoofdsysteem uitvalt, en er moet een alarmsysteem aanwezig zijn dat in dat geval in werking treedt. Het alarmsysteem moet regelmatig worden getest. - Voeder, water en andere stoffen
- De dieren moeten een toereikende hoeveelheid gezond en voor de soort en de leeftijd geschikt voeder krijgen zodat zij in goede gezondheid blijven en aan hun voedingsbehoeften voldaan wordt. Het toegediende voeder en drinken en de wijze van toediening mogen de dieren geen onnodig lijden of letsel toebrengen.
- Alle dieren moeten voeder krijgen met tussenpozen die bij hun fysiologische behoeften passen.
- Alle dieren moeten toegang hebben tot een toereikende hoeveelheid water van passende kwaliteit of moeten op een andere wijze aan hun behoefte aan water kunnen voldoen.
- Voeder- en drinkinstallaties moeten zo ontworpen, gebouwd en geplaatst zijn dat het gevaar voor verontreiniging van voeder en water, alsmede schadelijke gevolgen van rivaliteit tussen de dieren tot een minimum beperkt worden.
- Behalve stoffen voor therapeutische of profylactische doeleinden, dan wel zoötechnische behandeling zoals bepaald in artikel 1, lid 2, onder c), van richtlijn 96/22/EG van de Raad van 29 april 1996 betreffende het verbod op het gebruik, in de veehouderij, van bepaalde stoffen met hormonale werking en van bepaalde stoffen met thyreostatische werking, alsmede van beta-agonisten, mogen geen stoffen aan een dier worden toegediend, tenzij uit wetenschappelijke studies naar het welzijn van dieren of uit de ervaring is gebleken dat de stof niet schadelijk is voor de gezondheid of het welzijn van het dier.
- Fokmethoden
- Er mogen geen natuurlijke of kunstmatige fokmethoden worden toegepast die de betrokken dieren pijn of letsel toebrengen of kunnen toebrengen. Dit voorschrift sluit bepaalde handelingen niet uit die een uiterst gering of kortstondig lijden of letsel kunnen berokkenen, of een ingreep kunnen vergen die vermoedelijk geen blijvend letsel veroorzaakt.
- Een dier mag alleen voor landbouwdoeleinden worden gehouden als op basis van het genotype of fenotype redelijkerwijs kan worden aangenomen dat de gezondheid en het welzijn van het dier daardoor niet worden geschaad.