Finale brochures demoprojecten

Oproep 2014

Oproep 2013

Oproep 2012

Oproep 2011

Oproep 2010

Oproep 2009

2014

Mogelijkheden van parkhuisvesting bij konijnen

In 2014 werd het KB gepubliceerd waarin een geleidelijke maar verplichte omschakeling van kooihuisvesting naar parkhuisvesting bij konijnen is gepland. Parkhuisvesting voor vleeskonijnen heeft reeds ingang gevonden maar voor voedsters is parkhuisvesting niet evident. Bestaande bedrijven en geïnteresseerde bedrijven zullen begeleid worden door het ILVO om te komen tot een duurzame huisvesting via demo’s en praktijkonderzoek. DGZ Vlaanderen staat in voor opvolging van de gezondheidsstatus.

Project: Mogelijkheden van parkhuisvesting bij konijnen (oproep 2014)

Eindverslag: Mogelijkheiden van parkhuisvesting bij konijnenMogelijkheiden van parkhuisvesting bij konijnen (1,01 MB, 2015)

2013

Goed gerund

Vlaanderen heeft de opdracht om de zeldzame Europese habitats en soorten duurzaam in stand te houden. Dat wordt een ‘gunstige staat van instandhouding’ genoemd. Met het oog hierop zijn er instandhoudingsdoelstellingen opgemaakt. De realisatie van de instandhoudingsdoelstellingen zal belangrijke inspanningen vragen van landbouwers die zich met doelstellingen op of in de omgeving van hun percelen geconfronteerd zien. In dit project werd nagegaan welke technieken op rundveebedrijven kunnen worden ingezet om de uitstoot van ammoniak terug te dringen.

Project: Goed gerund (oproep 2013)

Brochure: Goed gerund (3,9 MB, 18 juli 2016)

2012

Verantwoord antibioticagebruik in de intensieve veehouderij

Het antibioticumgebruik in de Belgische veehouderij in functie van de biomassa is bij de hoogste in Europa (BelVet-Sac Rapport, 2012). Vooral het gebruik van sulfonamiden/trimethoprim, penicillines en tetracyclines is zeer hoog. Heel wat pathogenen vertonen reeds hoge resistentie tegen deze antibiotica (Rapport DGZ, 2008), wat aantoont dat het ‘blind’ gebruik van antimicrobiële middelen, naast een reëel risico voor de dier- en volksgezondheid, ook een zinloze meerkost betekent voor de landbouwsector.

Naast de economische impact van antibioticagebruik in de veehouderijsector is er ook de toenemende maatschappelijke druk op de intensieve veehouderij. Deze maatschappelijke druk dwingt de sector om verantwoord om te springen met antibioticumgebruik en dwingt de sector tot maatregelen.. Het demoproject zal de intensieve veehouderijsector mee vooruit helpen. Het demoproject toont bedrijven hoe ze rationeel kunnen omgaan met antibiotica en hoe het mogelijk is om minder antibiotica te gebruiken op hun bedrijf.

Project: Verantwoord antibioticagebruik in de intensieve veehouderij (oproep 2012)

Brochure: Verantwoord antibioticagebruik in de intensieve veehouderij (854,07 KB, 2012)

Verantwoord gebruik van antibiotica in de Vlaamse melkveehouderij door communicatie, opleiding en begeleiding

De melkveehouder zal vaak proberen de uiergezondheidsproblemen op zijn bedrijf op te lossen of te voorkomen door het (veelvuldig) inzetten van antibiotica. Door onwetendheid worden vaak de verkeerde producten op het verkeerde moment toegediend aan de verkeerde dieren bv. chronisch geïnfecteerde dieren die geen kans hebben om te genezen.

In een recente studie werd vastgesteld dat in Vlaanderen de behandeling en preventie van mastitis de belangrijkste reden is voor antibioticagebruik op melkveebedrijven (Feyen et al., 2004). Dit verhoogt het risico op het induceren van resistente (commensale) pathogenen, op overdracht van resistentiegenen en op aanwezigheid van residuen in melk of zuivelproducten, wat een probleem kan stellen voor de voedselveiligheid en de verwerking van de melk. Niet zelden wordt trouwens de veehouderij met de vinger gewezen als oorzaak van de toenemende resistentie bij humane pathogenen. Ook al is dit oorzakelijke verband niet bewezen, toch is de suggestie ervan alleen al erg schadelijk voor het imago van de veehouderij in het algemeen en voor de melkveehouderij en zuivelindustrie in het bijzonder. Nieuwe preventiemethodes die afstappen van het veelvuldig gebruik van antibiotica dringen zich om die redenen op en zouden gebaseerd kunnen zijn op toepassingen gebaseerd op een competitieve beschermende commensale flora (het Nurmi-concept).

Door veehouders op bovenstaande problemen te wijzen en vooral verantwoord antibioticagebruik nog meer te implementeren in de dagelijkse bedrijfsvoering, zal het project een belangrijke inbreng doen om dit te realiseren.

Project: Verantwoord gebruik van antibiotica in de Vlaamse melkveehouderij door communicatie, opleiding en begeleiding (oproep 2012)

Brochure: Verantwoord gebruik van antibiotica in de Vlaamse melkveehouderij door communicatie, opleiding en begeleiding (255,32 KB, 2012)

Optimalisatie van het houden van intacte beren en immunocastraten

Hoewel de varkensstapel veel kleiner is dan eind jaren negentig, blijft de varkenshouderij vanuit economisch oogpunt een heel belangrijke sector binnen de Vlaamse land- en tuinbouw. De varkenssector neemt bijna 30% van de productiewaarde van de Vlaamse agrarische sector voor zijn rekening.

Volgens de mei-enquête 2009 zijn er 5.933.238 varkens: 1.605.570 biggen tot 20 kg, 1.219.002 varkens van 20 tot 50 kg, 2.584.755 vleesvarkens van 50 kg en meer (inclusief reforme zeugen en beren) en 523.911 fokvarkens van 50 kg en meer. In 2011 werden 11,8 miljoen varkens geslacht in België, waarvan 5,9 miljoen mannelijke varkens.

Aangezien omwille van welzijnsredenen vooropgesteld wordt om tegen 1 januari 2018 om te schakelen naar het afmesten van intacte beren of immunocastraten, moeten de toepassing van deze alternatieven in de praktijk geoptimaliseerd worden.

Project: Optimalisatie van het houden van intacte beren en immunocastraten (oproep 2012)

Brochure: Optimalisatie van het houden van intacte beren en immunocastraten (487,59 KB, 2012)

Een geïntegreerde aanpak in de akkerbouw: de weg naar duurzame landbouw verder zetten

De globale doelstelling van het project “ Een geïntegreerde aanpak in de akkerbouw: de weg naar duurzame landbouw verder zetten” is om de landbouwers in Vlaanderen te ondersteunen om geïntegreerde gewasbescherming (IPM) toe te passen op een manier die voor hen geschikt en haalbaar is. Opdat de telers IPM kunnen toepassen dienen zij over de nodige informatie en kennis te beschikken. Het zal immers vanaf 1 januari 2014 in kader van de randvoorwaarden (GLB) verplicht zijn aan te tonen dat IPM op bedrijfsniveau wordt toegepast.

Project: Een geïntegreerde aanpak in de akkerbouw: de weg naar duurzame landbouw verder zetten (oproep 2012)

Brochure:
Een geïntegreerde aanpak in de akkerbouw: de weg naar duurzame landbouw verder zetten (Inhoudelijke brochure) (6,83 MB, 2012)
Een geïntegreerde aanpak in de akkerbouw: de weg naar duurzame landbouw verder zetten (Technische brochure) (2,9 MB, 2012)

Geïntegreerde gewasbescherming in de sierteelt

Geïntegreerde gewasbescherming (integrated pest management of IPM) wordt vanaf 1 januari 2014 verplicht in land- en tuinbouw, inclusief de sierteelt. IPM is gebaseerd op acht basisprincipes en laat de teler toe op een duurzame (ecologisch en economisch) en efficiënte manier plagen, ziekten en onkruiden te bestrijden. Via praktijkvoorbeelden (demobedrijven, presentaties en publicaties) zullen de IPM-basisprincipes aan siertelers worden gedemonstreerd zodat zij deze vlot in hun teelt kunnen integreren.

Project: Geïntegreerde gewasbescherming in de sierteelt (oproep 2012)

Brochure: Geïntegreerde gewasbescherming in de sierteelt (1,84 MB, 2012)

Integratie van IPM in de vollegrondsgroenteteelt in Vlaanderen

De doelstelling van het project is om de land- en tuinbouwers zo goed mogelijk te ondersteunen om IPM toe te passen op een manier die voor hun bedrijf geschikt en haalbaar is. Het voorliggende project zal middels demoproeven op verschillende proefveldplatformen verspreid over Vlaanderen de kennis omtrent geïntegreerde gewasbescherming aan de landbouwers demonstreren. Bij de verschillende demoproeven zal ook het economische aspect benaderd worden.

Project: Integratie van IPM in de vollegrondsgroenteteelt in Vlaanderen (oproep 2012)

Brochure: Integratie van IPM in de vollegrondsgroenteteelt in Vlaanderen (216,14 KB, 2012)

Witloof en IPM (WEI)

Bij de uitvoering van het project Witloof en IPM wordt gestreefd naar de implementatie van IPM in elk stadium van de witloofteelt.  Het doel is om alle witloofproducenten te informeren over de toepassing van IPM op het eigen bedrijf. Hiervoor stellen de projectpartners een brochure op. Witloofproducenten zullen geïnformeerd worden tijdens studiedagen, audits op enkele voorbeeldbedrijven en tijdens bedrijfsbezoeken. Via elektronische weg zal actuele informatie snel verspreid worden.

Project: Witloof en IPM (WEI) (oproep 2012)

Brochure: Witloof en IPM (WEI) (86,9 KB, 2012)

Implementatie van IPM in de druiventeelt

In dit demoproject wordt gedemonstreerd  dat telen volgens de principes van IPM technisch en economisch verantwoord is door het implementeren en uitbreiden van het waarschuwingssysteem. Hierdoor kunnen de gewasbeschermingsmiddelen gerichter ingezet worden. Extra aandacht wordt geschonken aan natuurlijke predatoren en parasitoïden.

De begeleiding en sturing van een groep sterk vernieuwende druiventelers zal bijdragen tot implementatie van de Europese richtlijn 2009/128/EC.

Project: Implementatie van IPM in de druiventeelt (oproep 2012)

Brochure: Implementatie van IPM in de druiventeelt (281,02 KB, 2012)

2011

N naar de aardappel brengen en zo N efficiënter benutten

De globale doelstelling van dit project is om aan te tonen dat door een betere benutting van de toegediende stikstofmeststoffen het nitraatresidu in het najaar kan beperkt worden. De nadruk ligt op het verhogen van de efficiënte van de toegediende dosis. Verschillende bemestingstechnieken kunnen hierbij helpen. In het project wordt vooral gefocust op enerzijds rijenbemesting bij het planten van de aardappelen en anderzijds bijbemesting tijdens het groeiseizoen en dit in combinatie met een beredeneerde meststoffenkeuze.

Een eerste doelstelling is het belang aan te tonen van het streven naar een hogere benutting van de toegediende stikstofdosis. Dit moet resulteren in een daling van nutriëntenverliezen naar het milieu. Hierin kadert ook de bewustwording omtrent het belang van de stikstofmineralisatie tijdens het groeiseizoen en de aanvoer van nutriënten met hun verwachte bemestingswaarde uit de toegediende dierlijke mest.

De tweede doelstelling is de haalbaarheid en performantie van de diverse technieken (waaronder rijenbemesting) aan te tonen op demovelden en praktijkpercelen. Eventuele beperkingen van deze technieken moeten op een correcte manier gecommuniceerd worden naar de individuele aardappelteler. Het duidelijk aantonen van het belang van de juiste meststoffenkeuze voor het optimaliseren van de N-voeding van het aardappelgewas en bijgevolg minimaliseren van het nitraatresidu kadert in deze doelstelling.

De derde doelstelling is het aanzetten tot het op ruimere schaal benutten van de mogelijkheden van deze technieken. Hoe ruimer deze technieken worden toegepast in de praktijk, des te groter de globale milieuwinst door het beperken van de nutriëntenverliezen naar het milieu. Dit resulteert in globaal lagere nitraatresidu’s na de aardappelteelt wat door het grote aardappelareaal in Vlaanderen in nauwe relatie staat met de kwaliteit van grond- en oppervlaktewater.

Brochure:
N naar de aardappel brengen en zo N efficiënter benutten (178,02 KB, 2011)
N naar de aardappel brengen en zo N efficiënter benutten - Technische resultaten (1,76 MB, 2011)
Brochure 'Rijenbemesting in de aardappelteelt' (1,09 MB, 2011)
Brochure 'Rijenbemesting in de aardappelteelt - Deel 2' (1,09 MB, 2011)

Groenbedekkers in strijd tegen het nitraatresidu

Groenbedekkers kunnen een krachtig middel vormen in de strijd tegen het nitraatresidu.  Via demonstrerende proeven wordt in eerste instantie getracht het potentieel van groenbedekkers om het nitraatresidu te verlagen aan te tonen. Ook het effect van verschillen in inzaaitijdstip (voorjaarszaai en najaarszaai op 15/08, 01/09 en 15/09), en het gebruik van verschillende soorten groenbedekkers (gele mosterd, rammenas, phacelia, raaigras, rogge en haver) op N-opname en vrijstelling (tijdstip en hoeveelheid) wordt gedemonstreerd. Aan de hand van geregelde staalname wordt de nitraattoestand van de bodem opgevolgd. Ten slotte wordt ook de bijdrage van groenbedekkers aan de organische stof in de bodem, en de economische meerwaarde van groenbedekkers door besparingen op kunstmeststoffen onder de loep genomen.

Brochure: Groenbedekkers in strijd tegen het nitraatresidu (207,45 KB, 2011)

Maïs bemesten: oude principes, nieuwe technieken

Als gevolg van MAP IV dient  de bemesting van maïs geoptimaliseerd en verfijnd te worden met het oog op het behoud van opbrengst en kwaliteit bij verscherpte bemestingsnormen. Een zo hoog mogelijke benutting van de aanwezige voedingsstoffen leidt tot een beperking van de verliezen naar het milieu toe wat een lager nitraatresidu en een verbetering van de waterkwaliteit betekent. Efficiënter bemesten moet ook leiden tot een beter economisch resultaat. Het LCV wil dit bereiken door de reeds gekende rijenbemesting bij maïs nog verder te optimaliseren. Niet alleen rijenbemesting met kunstmest maar ook de rijenbemesting met drijfmest komt aan bod. Verder gaat het project dieper in op de bemesting van de teeltcombinatie gras-maïs of gras-rogge.

Brochure: Maïs bemesten: oude principes, nieuwe technieken (542,26 KB, 2011)

Optimaal en duurzaam bemesten met innovatieve technieken (OBIT)

De belangrijkste instrumenten waarover een groenteteler beschikt om tot een aanvaardbaar nitraatresidu te komen worden in de kijker gezet. Uit de resultaten van de nitraatresiduwaarden van de mestbank blijkt dat de groenteteelt niet goed scoort op vlak van nitraatuitspoeling. Dit is vaak te wijten aan een foutieve bedrijfsvoering meestal door onwetendheid van de teler. Met dit project worden de telers gesensibiliseerd en krijgen ze methoden aangeboden waarmee ze aan de slag kunnen. Ook voor de telers die wel correct werken, kunnen de nieuwe ontwikkelingen interessant zijn. Daarnaast worden de verschillende technieken economisch benaderd. De nieuwe strategieën worden vergeleken met de klassieke teeltwijze en een kosten/baten analyse wordt opgesteld. In de referentieperiode (1 oktober – 15 november) zal de balans opgemaakt worden tussen het economische aspect (besparen bemesting, prijsvorming, kwaliteit en opbrengst) van de teelt en de milieukundige winst (nitraatresidu) die geboekt werd.

Brochure: Optimaal en duurzaam bemesten met innovatieve technieken (OBIT) (202,21 KB, 2011)

Kwaliteitsvolle planten met reductie van nutriëntenuitspoeling op tray- en containervelden

Dit project tracht een oplossing te vinden om aardbeiplanten en sierteeltgewassen op tray- en containervelden op te kweken volgens de MAP-normen. Aardbeitelers kweken zelf plantmateriaal op voor gebruik in de eigen productieteelten het jaar nadien. Dit gebeurt op trayvelden in open lucht. Een deelsegment van de siertelers teelt planten op containervelden in open lucht zoals een uitgebreid gamma aan boomkwekerijgewassen en Ericaceae. Zowel in de aardbeisector als in de sierteelt is er een grote verscheidenheid tussen de bedrijven. Er worden verschillende teeltsystemen en irrigatie- en bemestingsstrategieën toegepast.

Brochure: Kwaliteitsvolle planten met reductie van nutriëntenuitspoeling op tray- en containervelden (3,58 MB, 2011)

Grasland scheuren en vernieuwen op maat van het milieu

Het scheuren van grasland heeft een sterke invloed op de aanwezigheid van nitraatstikstof en organische stof in de bodem. Landbouwkundig blijft grasland scheuren en vernieuwen in de nazomer of het vroege najaar het meest aangewezen.  Het nadeel van scheuren op dat tijdstip is de sterke mineralisatie van de  afgestorven, ondergewerkte zode op het moment dat het nieuw ingezaaide gras nog te weinig ontwikkeld is om de grote voorraad aan beschikbare N  op te nemen. Anderzijds leidt het in het voorjaar scheuren en opnieuw grasland inzaaien tot aanzienlijke opbrengstverliezen. De invloed van het tijdstip van scheuren op de benutting van de vrijgekomen stikstof en op de nitraatreserve of -rest in de bodem wordt in het project gedemonstreerd. Ook de beheersing van het nitraatresidu door een juiste keuze van het volggewas en een aangepaste manier van bemesten wordt getoond.

Brochure: Grasland scheuren en vernieuwen op maat van het milieu (1,19 MB, 2011)

Het KNS-bemestingssysteem toegepast in de grondgebonden sierteelt

Binnen dit project is het de bedoeling een bemestingsysteem te introduceren in de sierteelt. Aan de hand van één of meerdere bodemstaalnames zal de bemesting gestuurd worden. In dit systeem zal rekening gehouden worden met de hoeveelheid minerale stikstof aanwezig in het voorjaar, de hoeveelheid nutriënten die vrijkomen via mineralisatie en de plantbehoefte. Door gerichte demonstratieve en sensibiliserende acties zullen de telers gestimuleerd worden duurzaam om te gaan met de stikstofbemesting van hun teelt. Het bemestingsysteem zal per deelsector aan de hand van enkele typegewassen gedemonstreerd worden. De deelsectoren zijn boomkwekerij, potchrysanten en knolbegonia. Voor de boomkwekerij worden zowel voor laanbomen als voor bos- en haagplantsoen demonstratieproeven aangelegd.

Brochure: Het KNS-bemestingssysteem toegepast in de grondgebonden sierteelt (3,09 MB, 2011)

KNS en dierlijke werkzame N in Vlaanderen

Dit project beoogt de Vlaamse groentetelers wegwijs te maken in de verschillende systemen die MAP 4 toelaat om de bemestingsnormen in te vullen (werkzame N en totale N). Aan de hand van demonstrerende veldproeven wordt aan de teler getoond wat de gevolgen zijn van een keuze voor het ene of het andere systeem. Aangezien voor vele groetetelers dierlijke mest de goedkoopste en meest voorhanden meststof is, wordt bij de invulling van deze bemestingsnormen speciale aandacht gegeven aan de rol die dierlijke mest kan spelen in de groetenteelt. Verspreid over Vlaanderen worden 6 demovelden aangelegd waar dit gedemonstreerd wordt.

Brochure: KNS en dierlijke werkzame N in Vlaanderen (208,33 KB, 2011)

Organische bemesting en MAP4 doorheen de biologische sector

Dit project wil, voor de meest belangrijke sectoren in de Vlaamse biologische landbouw, enerzijds een antwoord bieden op een aantal nieuwe vragen en uitdagingen in de context van MAP4 en anderzijds een brug slaan tussen sectoren om tot een meer gesloten biologische nutriëntenkringloop te komen op het niveau van de Vlaamse biologische landbouwsector in zijn geheel. Hierbij wordt ook rekening gehouden met bodembeheer, het organische stofgehalte in de bodem en bedrijfseconomische randvoorwaarden.

Brochure: Organische bemesting en MAP4 doorheen de biologische sector (400,41 KB, 2011)

Telen zonder spui in de glastuinbouw

Sinds de uitvaardiging van de Nitraatrichtlijn en de opvolging van de MAP-meetpunten wordt de norm van 50 mg NO3- L-1 nog te vaak overschreden met name in gebieden met veel glastuinbouw. Dit project wil via bewustmaking de teler van vruchtgroenten, snijbloemen en pot- en perkplanten aanzetten tot een meer doorgedreven hergebruik van drainwater zodat de hoeveelheid spui drastisch kan worden gereduceerd en eventueel voorkomen worden. Voor telers die niet zonder spui kunnen telen, wordt een alternatieve, biologische zuiveringsstrategie gedemonstreerd.

Brochure: Telen zonder spui in de glastuinbouw (846,54 KB, 2011)

2010

Veel geblaat, maar (te) weinig wol

Dit project wou o.a.:

  • De wol en haar kwaliteits-, managements-, dierenwelzijns-, diergezondheidsaspecten onder de aandacht van schapenhouders brengen.
  • De houders van kleine herkauwers via de enquêtes en bedrijfsbezoeken bij de problematiek betrekken.
  • In kaart brengen welke soorten vachttypes er bestaan en welke keuze kan worden gemaakt in functie van beheer. Bij extensief beheer kan best de keuze worden gemaakt voor rassen die minder kans op myiasis geven, zoals bv. zelfruiende schapen of haarschapen.
  • Demonstreren dat door een goede opvolging van de vachtkwaliteit (raskeuze, bevuilingsgraad, moment van scheren, preventieve behandeling tegen myiasis en/of schurft…) de bedrijfsverliezen kunnen worden beperkt en de rendabiliteit van de bedrijven kan worden opgekrikt.
  • Verschillende scheeraspecten (tijdstip, achterhand scheren, lammeren scheren…) en de foktechnische en bedrijfseconomische gevolgen daarvan demonstreren
  • Creëren van een platform voor discussie, overleg en openheid rond het thema ‘wol en huid’ in de schapenhouderij.

Brochure: Veel geblaat, (te) weinig wol.pdf (459 KB, 2010)

Demonstratie van geavanceerde technieken voor kunstmatige inseminatie in de bijenteelt

In de laatste decennia heeft de technologie van de kunstmatige inseminatie in de bijenteelt zich ontwikkeld in het kader van beredeneerde selectieprogramma's. Zo ook in Vlaanderen, waar we vaststellen dat een aantal imkers met succes inseminaties uitvoeren. Er wordt evenwel in hoge mate naar individueel inzicht gehandeld, waardoor de efficiëntie niet steeds aan de verwachtingen beantwoordt. Door georganiseerde demonstraties van moderne technieken van spermavermenging, het gebruik van varianten van KI-toestellen en een verhoogd aseptisch werken met o.a. UV-C straling zal een aanmerkelijk hogere efficiëntie worden bereikt.

Brochure: Demonstratie van geavanceerde technieken voor kunstmatige inseminatie in de bijenteelt.pdf (375,42 KB, 2010)

Precisievoeding van vleesvarkens: Meerfazenvoeding op basis van zelfgeteelde eiwitbronnen

Dit project wou aantonen dat de combinatie van alternatieve eiwitbronnen en meerfasenvoeding aanleiding kan geven tot een hoger aandeel eigen geteelde eiwitrijke voedermiddelen en een lagere eiwitinput bij de productie van varkensvlees. Dit resulteert dan in een reductie van de afhankelijkheid van de soja-import in Vlaanderen.

In de brochure 'Alternatieve eiwitbronnen in de voeding van vleesvarkens' vindt u een beschrijving van de sojaproblematiek en situatie in Europa en een overzicht van de belangrijkste eiwitbronnen die in de varkensvoeding gebruikt kunnen worden om sojaschroot te vervangen.

Brochure:
Alternatieve eiwitbronnen in de voeding van vleesvarkens.pdf (2,0 MB, 12 maart 2014)
Brochure meerfasenvoeding.pdf (1,8 MB, 12 juni 2014)

Economische en technische kengetallen in het moderne varkensbedrijf

Technische kengetallen beschrijven vooral de productiviteit (biggen- en vleesproductie) en het (kracht)voederverbruik. De economische kengetallen gaan in op de krachtvoeder-, de biggen- en de vleesvarkensprijs van de bedrijven. Meer en meer lijkt er een discrepantie te groeien tussen technische en economische kengetallen. Het streven naar zeer hoge technische kengetallen is niet of niet evenredig gerelateerd aan de inspanningen en meer nog, is niet evenredig aan de financiële opbrengsten. De bedoeling is om drie economische belangrijke kengetallen onder de aandacht te brengen, met name:

  • in de zeugenhouderij: productiegetal
  • bij vleesvarkens: voederconversie en hokdensiteit

Brochure: Economische en technische kengetallen in het moderne varkensbedrijf (306,24 KB, 2010)

Hoe geuremissies beheersen?

Binnen het project “Hoe geuremissies beheersen?” werden via snuffelploegmetingen verschillende maatregelen en innovatieve technieken geëvalueerd zoals het optimaliseren van de ventilatie tot meer technische maatregelen zoals (combi)luchtwassers.

De brochure Hoe geuremissies beheersen bundelt de artikels die tijdens het project in de vakpers zijn verschenen. Het eerste artikel gaat in op de verschillende oorzaken van geuremissie door varkensstallen. Het tweede handelt over de wijze waarop men objectief geur en geurhinder in kaart tracht te brengen. Het derde artkel over de brochure Boeren met buren leert ons doorheen vier praktijkgetuigenissen dat een goede communicatie met je buren en de nabije omgeving een cruciale impact hebben op je bedrijfsvoering en de eventuele toekomstplannen voor land- en tuinbouwbedrijven. Het laatste artikel getuigt over de mogelijke geurreductie met een combiwasser.

Brochure:

Hoe geuremissies beheersen.pdf (3,3 MB, 14 februari 2014)

Boeren met buren.pdf (2,5 MB, 25 oktober 2013)

Efficiënt gebruik kengetallen melkvee voor optimalisatie bedrijfsvoering

De brochure geeft een overzicht van de 5 artikelen die verschenen in kader van het project ‘Efficiënt gebruik kengetallen melkvee voor optimalisatie bedrijfsvoering’. Dit project had tot doel de melkveehouders beter het belang van de kengetallen rond melkproductie, vruchtbaarheid, (kracht)voederverbruik, uiergezondheid, … te doen inzien.
Biologische landbouw is vaak een voorloper als het gaat over duurzaamheid. Met dit project werd via kengetallen aangeduid waar de biologische aanpak verschilt met de gangbare.

Brochure:

Efficient gebruik kengetallen melkvee voor optimalisatie bedrijfsvoering (5,8 MB, 25 oktober 2013)

Bedrijfsvoering melkvee.pdf (3,7 MB, 8 mei 2014)

2009

Rendabiliteit in de vleesveehouderij. Management ter beperking van kalversterfte

Het demonstratieproject had tot doel de oorzaken van kalversterfte te achterhalen om de vleesveehouder te begeleiden bij het verbeteren van het zoötechnisch resultaat en daarmee ook de rendabiliteit van zijn bedrijf. De publicatie bundelt de resultaten en voornaamste bevindingen van het project en de technische informatie die in veertien nieuwsbrieven zijn verschenen.

Brochure: Rendabiliteit in de vleesveehouderij. Management ter beperking van kalversterfte

Economische en technische kengetallen in het moderne varkensbedrijf

Technische kengetallen beschrijven vooral de productiviteit (biggen- en vleesproductie) en het (kracht)voederverbruik. De economische kengetallen gaan in op de krachtvoeder-, de biggen- en de vleesvarkensprijs van de bedrijven. Meer en meer lijkt er een discrepantie te groeien tussen technische en economische kengetallen. Het streven naar zeer hoge technische kengetallen is niet of niet evenredig gerelateerd aan de inspanningen en meer nog, is niet evenredig aan de financiële opbrengsten. De bedoeling is om drie economische belangrijke kengetallen onder de aandacht te brengen, met name: productiegetal (in de zeugenhouderij) en voederconversie en hokdensiteit (bij vleesvarkens).

Brochure: Kengetallen in de varkenshouderij.pdf (2,0 MB, 9 december 2013)